OT11 - EEN
BRUIDEGOM VOOR REBEKKA
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Rebekka, het is tijd om water te
gaan halen. Ik hoor de meisjes al langskomen,' zegt de oude Milka
tegen haar kleindochter. Het meisje, blij met de welkome afleiding, grist gauw
een paar druiven van de schaal en loopt met de grote waterkruik op haar
schouder naar buiten.
'Wacht op mij, Lorwa,' roept ze
met volle mond naar haar vriendin een eindje verderop. Lorwa
hoort het gelukkig. Ze stopt even. Samen lopen ze dan gezellig babbelend naar de bron. Zo gaat het alle dagen. Maar vandaag
staat Rebekka een grote verrassing te wachten.
'Kijk,' roept Lorwa als ze de
poort doorkomen. 'Vreemdelingen! Moet je zien, zeg! Een rijke goser met zijn knechten en wel tien zwaarbepakte kamelen.
Laten we zo meteen even gaan kijken.'
Rebekka is net zo
nieuwsgierig als haar vriendin. Rap gaan haar blote voeten over de harde ingestampte
zandweg, afdalend naar de bron in het dal. De meisjes vullen hun kruiken met
water en klimmen dan weer naar boven... De leider van de karavaan is kennelijk
blij met het bezoek. Dorstig van de lange reis in de brandende zon vraagt hij
aan Rebekka: 'Heb je wat te drinken voor me?'
En zij, behulpzaam als altijd, laat de kruik op haar hand neerglijden. Onderwijl glijdt haar
blik over zijn kleding. De hoofddoek, donkerbruin met witte strepen, is op
dezelfde wijze opgerold als van vader Betuël.
Misschien is het juist wel daarom dat ze aanbiedt om ook de kamelen te drinken
te geven. Verbaasd antwoordt de man: 'Graag!'
't Is echt een hele klus. De dorstige
beesten slurpen maar door. De spetters vliegen in het rond. Rebekka
lacht en geeft de grootste een goedkeurend klopje op z'n
stoffige nek. Lorwa en de andere meisjes zijn al lang
weer terug in de stad, als zij pas klaar is. Al die tijd heeft de vreemdeling
zwijgend toegekeken. Nu loopt hij naar de pakken en haalt een paar prachtige
gouden sieraden te voorschijn als dank voor haar hulp. Ook vraagt hij: 'Zeg
eens, van wie ben jij een dochter? En kan ik vannacht wel bij jullie
overnachten?'
Rebekka kan haar ogen bijna niet afhouden
van het moois.
'Ik ben de dochter van Betuël,'
antwoordt ze. 'Er is stro zat bij ons thuis. U kunt vast wel bij ons logeren.'
Vrolijk rent ze weg om alles thuis te gaan vertellen... De
vreemdeling kijkt haar na en knielt dan zo maar neer om God te danken voor deze
ontmoeting. Wie is hij toch? En wat komt hij hier in de stad Nahor doen?
Een uurtje later zit de vreemdeling aan tafel bij de familie
van Rebekka. De kamelen zijn goed verzorgd en de
knechten hebben onderdak. Daar heeft Laban, de nogal
hebberige broer van Rebekka voor gezorgd. Zodra hij
de sieraden aan haar handen had gezien, was hij naar de bron gesneld om de
vreemdeling op te halen. Voordat de maaltijd begint, heeft de man echter eerst
nog wat te zeggen.
'Mag ik mij even voorstellen? Ik ben Eleëzer,
de knecht van Abraham, uw oom, meneer Betuël!'
Een verrast gemompel stijgt op. Nieuwsgierig luisteren ze
verder.
'Hij maakt het goed, heel goed zelfs, want God de Here heeft hem rijk gezegend. Een paar jaar geleden is
echter Sara overleden. Nu is Isaak, zijn enige zoon,
erg eenzaam. En omdat Abraham zelf, zoals u al weet,
erg oud is, heeft hij mij laten beloven om een bruid voor Isaak
te gaan zoeken, een gelovig meisje natuurlijk. Maar die vind je niet in onze
omgeving. Dus werd ik hiernaar toe gestuurd.'
Eleëzer vertelt verder hoe moeilijk hij
deze opdracht vond. Wat voor meisje moest hij zoeken? Moest ze knap zijn, rijk,
vriendelijk of sterk?
'Ik besloot God te vragen om mij te leiden naar het juiste
meisje. Als het meisje dat ik om water zou vragen ook mijn
kamelen zou laten drinken, dan zou zij het goede meisje zijn. Ik was nog
niet klaar met bidden of daar kwam Rebekka aan. Ze
deed precies zoals ik had gebeden. Dus denk ik dat zij de bruid voor Isaak is. Zeg mij nu alstublieft gauw of u het goedvindt.
Dan weet ik waar ik aan toe ben.'
Nu de knecht zijn verhaal heeft beëindigd, begint iedereen
opgewonden door elkaar te praten. Men ziet hier echt de leiding van God in. Betuël knikt ontroerd als Laban
namens hem toestemming geeft. Rebekka wordt de bruid.
Dat betekent feest! Ze straalt van trots. Met een kleur van opwinding pakt ze
de cadeaus uit, die de knecht uit zijn tassen te voorschijn tovert. Haast alle
pakjes zijn voor haar bestemd. Gouden en zilveren sieraden en mooie kleren.
'Ahhh! en
Ohh!' roept iedereen. Haar vriendinnen, een beetje
jaloers natuurlijk, komen alles bewonderen. Het wordt erg laat die nacht
voordat iedereen in bed ligt. Wat een dag.
En Eleëzer laat er geen gras over
groeien. De volgende dag wil hij al weer terugreizen. Hoewel Laban en de rest van de familie liever hebben dat Rebekka niet zo snel vertrekt, stelt zij duidelijk en
klaar, dat ze het met de knecht eens is.
Het is maanden later. De karavaan van Eleëzer
is bijna weer thuis. Rebekka kijkt opgewonden uit
naar de ontmoeting met oom Abraham, maar nog meer naar Isaak,
haar toekomstige man. Ze heeft onderweg tot in het oneindige vragen gesteld
over Isaak. Nu is het moment aangebroken, dat ze hem
in werkelijkheid zal ontmoeten. Plotseling valt haar oog op een man, die over het veld komt aanlopen.
'Eleëzer, wie is dat?' wijst ze.
Ja hoor! Het is Isaak, die ook al
naar hen uitkijkt. Vlug daalt Rebekka van haar kameel
af. Ze doet haar sluier voor. Dat hoort zo. Maar twee stralende ogen kijken Isaak aan. Het is liefde op het eerste gezicht... Wat een
geluk!
Eleëzer, de knecht haalt opgelucht adem.