Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Gefeliciteerd! Van harte!'
O, wat is Abraham trots. Zijn zoon Isaak
is vandaag drie jaar geworden. Het is een gelach en een gekus
van jewelste. Van alle kanten komen buren en vrienden aanlopen. Ze hebben
cadeaus bij zich en wachten vrolijk babbelend op hun
beurt om hem en Sara te feliciteren en... natuurlijk Isaak
zelf!
'Van harte gefeliciteerd!'
Isaakje springt en huppelt op en neer op de
kist die Abraham vlak naast hem heeft neergezet. Dan staat hij een beetje
hoger. Hij vindt al die aandacht prachtig. Vanaf vandaag is hij geen baby meer.
Hij kan zichzelf aankleden, zelf eten, zelf ergens naar toe gaan...
En Sara? Zij is nog veel blijer. Het verlangen van haar hart
is vervuld. Jaren en jaren heeft ze gewacht op dit
kind... Er waren zelfs tijden geweest, dat ze de hoop verloren had. Toen had ze
er zelfs bij Abram op aangedrongen om met haar slavin
te trouwen, zodat ze toch een zoon zouden krijgen, maar dat was niet volgens
Gods plan...
'Gefeliciteerd, Abraham en Sara, we hopen dat jullie zoon
lang in gezondheid zal leven!' klinkt het steeds weer.
'Dankje.'
lacht Sara, 'Ja, God heeft ons aan het lachen gemaakt! Kun je je voorstellen? Wij met een kind!...'
'Hoi, hoi, hoi!!'
Bij de tafel met allerlei lekkers staat een groep jeugd
rondom een stoere, goedgeklede knul van een jaar of zeventien. Hij heeft
zojuist de boogschietwedstrijd gewonnen. Iedereen
slaat hem goedkeurend op de schouder.
'Hé, Ismaël, te gek, zeg!' roepen
ze.
Ismaël veegt trots met zijn hand door zijn
krulhaar en laat dan zijn spierballen aan zijn fans zien.
'Je ziet wel wie hier de leider van de stam moet worden,
hè?' pocht hij, terwijl hij verachtelijk een blik werpt in de richting van Isaak. O, hij is zo jaloers op dat halfbroertje van hem.
Veertien jaar lang was híj het enige zoontje van
sjeik Abram. Híj werd
beschouwd als de erfgenaam. Maar sinds die baby Isaak
er is... Minachtend spuugt Ismaël op de grond. Moet
dat kleine spook vóór hem geplaatst worden, alleen omdat zijn moeder mevrouw
zelf is en geen slavin?...
'Hoi, hoi, mannen. Ik ben de winnaar!' roept hij schel.
Merkt Abraham niet dat Ismaël zo
jaloers is? Nee, eigenlijk niet. Hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. Maar
Sara heeft het wel gezien. Met pijn in haar hart hoort ze dat Ismaël haar kind bespottelijk maakt tegenover zijn
vrienden. Dat mag niet. Isaak is het kind waar Gods
plan mee verder gaat.
Als het feest voorbij is en alle gasten weer naar huis, zegt
ze dan ook: 'Abraham, je moet Hagar en Ismaël wegsturen. Isaak is onze
enige erfgenaam, maar daar zal Ismaël nóóit genoegen mee nemen. 't Is nu
al haat en nijd.'
'Ben je nou helemaal mal!' roept Abraham uit. 'Ismaël is m'n kind, hoor! Die stuur ik niet zomaar weg!'
Hij beent de tent uit. Hoe kàn
Sara zo iets voorstellen... Buiten bijt de koude nachtwind in zijn gezicht.
Schitterend en indrukwekkend staat de sterrenhemel boven het tentenkamp.
'O God.' bidt Abraham. 'Geeft u mij raad over Ismaël en Isaak...'
Ismaël ligt nog heerlijk te slapen als
Abraham die ochtend zijn tent binnenstapt.
Hij kijkt eens naar zijn zoon zoals hij daar ligt. De wilde
donkere krullen op het kussen, de trotse mond en donshaartjes op z'n bovenlip, het begin van een snor. O, het doet Abraham
pijn om hem weg te sturen, maar het moet.
Gisteravond heeft God hem antwoord gegeven.
'Abraham, doe zoals Sara je voorstelde. Stuur de slavin en
haar zoon weg, terug naar Egypte. Want de belofte, die Ik jou deed, over het
volk dat geboren zal worden, gaat met Isaak verder en
niet met Ismaël. Maar wees gerust! Ook Hagars zoon zal ik tot een volk maken, omdat hij van jou
afstamt.'
'Ismaël!' roept Abraham zacht...
Die avond kan Abraham maar slecht de slaap vatten. Hij moet
maar steeds aan Hagar en Ismaël
denken. Hoe zouden ze het maken? In gedachten zag hij ze lopen. Hagar voorop en Ismaël er
onwillig achter, zijn vuisten gebald, zijn schouders recht van opstandigheid.
Hij denkt na over de weg die ze gaan moeten. Een moeilijke weg. Dwars door de
steenachtige woestijn van Berseba.
Waar zouden ze slapen? Hoe kwamen ze aan de kost?
Abraham kan hen niet helpen, maar de Here
wel.
Maanden en maanden later komt er een boodschapper langs met
goed bericht.
Ismaël is getrouwd met een Egyptisch
meisje. Ze wonen nu in de woestijn Paran, waar Ismaël een bestaan heeft opgebouwd als boogschutter. O, wat
zijn Abraham en Sara blij dat ze dat horen. Ze vragen de man de oren van het
hoofd.
En zo vernemen ze ook hoe de reis naar Egypte verlopen is.
De Here zelf bewaarde Ismaël voor de dood. Toen ze onderweg namelijk verdwaald
waren en Ismaël bijna stierf van de dorst, toonde God
Hagar een waterput en hij troostte haar met de
woorden: 'Hagar, vrees niet. Richt de jongen op, want
Ik zal hem tot een groot volk stellen.'
'Ai, ai, ai!' roept iedereen. 'Wat een wonder!!'
Abraham en Sara pakken elkaars gerimpelde handen vast en
danken God. Kleine Isaak komt ook aanhollen. Hij
klimt op Abrahams schoot. Hij knuffelt zich tegen Abraham aan.
Waarom zijn de grote mensen zo blij? Wat is er gebeurd? Ach
ja, als je nog maar vier bent, snapt je nog niet dat je in je leven wel eens
moeilijke beslissingen moet nemen.
Dat komt later wel als hij groot is. Want met Isaak gaat het verhaal verder.