Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Zulke mooie kleden als Sarai, de
vrouw van herdersvorst Abram weven kan, zie je
nergens. Schitterende kleuren en patronen. Iedere sjeik zou graag zo'n prachtig kunststuk in zijn tent hebben liggen. En in
elk kleed heeft Sarai haar gedachten en hoop meegeweven. O, ze weet nog precies waar ze aan dacht als ze
haar kleden nog eens in handen neemt. Dat warmblauwe
kleed met die gele ster... Ze maakte dat 25 jaar geleden, toen ze nog in Haran woonden. Ze noemt het nog steeds Ster van Hoop. Ze
was eraan begonnen toen Abraham...
'Vrouw,' zei Abram
opgewonden, 'De Here heeft tot mij gesproken. We
moeten op weg gaan naar een onbekend land. Hijzelf zal het ons wijzen. En, hoor
eens!...' (Hij nam haar lieve knappe gezicht in zijn handen.) 'We zullen tot
een groot volk worden, zei Hij. Alle mensen op de wereld zullen door ons
gezegend worden...'
Ze kusten elkaar. Kusten en lachten. Abram
en Sarai. Twee mensen die zich vastklemden aan het
Woord van God. Op die dag begon Sarai aan een nieuw
kleed. En op de heldergele ster vielen tranen van dankbaarheid. Zij, een vrouw
die geen kinderen kon krijgen, zou tot een groot volk worden. Ster van Hoop...
Veel kleden heeft ze sindsdien geweven. Ja, als je geen
kinderen krijgt, dan heb je daar wel tijd voor. De slanke handen van Sarai trekken uit de stapel tapijten een bijna nachtzwart
kleed te voorschijn met honderden kleurige stippen, grote en kleine. 'Sterren
in de nacht,' fluistert ze, terwijl ze het tapijt met strelende bewegingen
gladstrijkt. Dit kleed maakte ze toen...
'Sarai, slaap je al?... Kom eens.
Vlug, sta op en kom kijken...'
Hand in hand keken ze voor hun tent naar de schitterende
nachthemel... Abraham sloeg een doek om haar schouders en wees... 'Kijk, Sarai, al die sterren... Zie je?...' Struikelend over zijn
woorden vertelde hij haar wat de Here hem zojuist had
medegedeeld. 'Ons nageslacht zal zijn als de sterren
aan de hemel. Kun jij ze tellen? Stel je voor. Niet Eleëzer
onze knecht, maar onze eigen zoon... met hem zal het verder gaan als wij er
niet meer zijn!'
't Werd de mooiste nacht van hun
leven. Abraham en God sloten zelfs een verbond met elkaar.
Sarai legt het kleed 'Sterren in de
nacht' terzijde. Morgen zou ze het door haar dienstmeisjes eens lekker laten
uitkloppen. Dan werd het weer mooi fris. Hatsie! Ze
moet er zelfs van niezen. Wat een stof! Oeps! O, pas op. Bijna struikelt ze
over een kleed, dat opgerold aan de kant is gelegd. 't
Is een tapijt vol vlekken. Jarenlang gebruikt. Toen het nieuw was, was het warm
bruin met rode puntmotieven en witte blokken. 't Was
het kleed dat ze had gemaakt toen Hagar, haar
dienstmeisje, in verwachting was van Ismaël. Melk is
erop geknoeid en vet... 't Moet nodig schoongemaakt
worden.
'Hebben we er wel goed aan gedaan?' vraagt Sarai zich af. Haar gedachten gaan terug naar die tijd toen
Abram en zij het besluit namen om...
'Abram, hoor eens. De Here heeft mij nu al die jaren geen kinderen gegeven. Nu
had ik zo gedacht... als je nu eens met mijn slavin trouwde. Krijgt zij een
kind, dan is dat ook mijn kind...' Zo had Sarai op
een dag tot haar man gesproken. 't Was eigenlijk een
noodoplossing geweest. Een dwaas idee. Maar toch... Abram
stemde toe. En zo werd Ismaël geboren, een stevig
ventje met kroeskrulletjes. Iedereen was dol op hem. Maar het bleef Hagars kind. Dat had Hagar ook
goed laten merken. Wat een problemen ze daarmee gehad hebben...
Sarai kijkt door het opengeslagen
voordoek naar buiten. Daarginds op die grote steen onder de
terebint zit Ismaël. Hij
snijdt pijlen en roept grapjes naar zijn moeder Hagar.
'Mevrouw Sara, waar zal ik deze wol neerleggen?'
Een jong dienstmeisje komt binnen met een mand vol pasgesponnen wol. 'Hè? O, leg maar naast mijn weeftoestel,
meisje...'
Gek, ze moet er toch zo aan wennen om Sara genoemd te worden
en geen Sarai. Sara, Koningin betekent dat. Ze heeft
de neiging om in de lach te schieten iedere keer als iemand Sara tegen haar
zegt. Dat begon verleden week, een paar dagen nadat Abram
negenennegentig jaar was geworden.
'Vrouw!' riep Abram,
terwijl hij blij op haar toe kwam strompelen, zijn stok omhoog geheven, 'Vrouw,
het gaat tóch door. Weer is de Here aan mij
verschenen, net als vroeger. We zullen tóch een kind krijgen, jij en ik!'
Sara was in een onbedaarlijke lach geschoten. Ze had haar
oude man even een lekkere knuffel gegeven. 'Ja hoor! Gekkerd!'
Maar die was bloedserieus. Enthousiast vertelde hij van de
ontmoeting met God, toen hij aan het bidden was in de heuvels.
'Echt Sarai, God noemde duidelijk
jouw naam. 'Uw vrouw Sarai zal een zoon baren...' Zelfs
zei God hoe het kind moet gaan heten: Isaäk, dat
betekent gelach... Sarai geloof je me niet??'
'Plaag me niet, Abraham, het kan niet meer...'
'Ik kon het ook niet geloven, maar de Here
is het vast van plan. Hij gaf ons zelfs....NIEUWE
NAMEN! Je moet me voortaan geen Abram meer noemen,
maar ABRAHAM, VADER VAN VELE VOLKEN en jij...' Abram
pauzeert even om meer indruk te maken, 'SARA, KONINGIN!... Hoe klinkt dat?'
'Abraham toch!'
Sara veegt het zweet van haar gezicht. Oef! Wat is het heet
zo midden op de dag. Deze week zal er wel niets meer komen
van tapijten weven. Er moet feest gevierd worden, besnijdenisfeest. Dat
heeft God bevolen. Alle mannen, ook Abraham en Ismaël,
alle in hun huis geboren of gekochte slaven, moeten er diep van doordrongen
worden dat HET KIND eens komen zal. Dit feest bevestigt Gods Verbond met hen.
Er wacht haar nog een drukke week. Vol blijde gedachten graait Sara met haar
handen in de zachte, pasgesponnen wol. Zal ze hier echt nog eens kinderkleertjes van moeten weven?