Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Juf, juf, ik ben met mijn vader
naar het vliegtuigmuseum geweest... en daar heb ik een echte ruimtevaartcapsule
gezien!' Opgewonden komt Sjoerd op een dag de klas binnenrennen. De anderen
komen gelijk om hem heen staan. Sjonge, wat leuk.
'Hebbie nog een ruimtevaarder
gezien?' vraagt Appie naïef.
'Nee, natuurlijk niet!' antwoordt Sjoerd lachend. '... Ik
ben erin geweest, er zijn allemaal knopjes en schuifjes. Mijn vader zegt, dat zo'n ding wel miljarden guldens kost.'
'Zo!' zegt Ymke, 'Je zal hem per ongeluk kapot maken, zeg!'
'Nou, zeker!' stemt Sjoerd in. 'Daarom moet je ook een
opleiding volgen om ruimtevaarder te worden en goed naar het grondstation
luisteren, want anders... Pfammm! Daar gaat je mooie
capsule.'
De kinderen praten nog even door over capsules en
ruimtevaarders, maar tenslotte maakt juf Connie er een eind aan. Ze gaat weer verder vertellen van
Adam en Eva in de mooie tuin. O wee! Daar ging ook al iets mis.
Koning en koningin. Dat waren Adam en Eva eigenlijk. Ze
mochten heersen over de bomen, de bloemen en de dieren.
'Jullie moeten de hof bewerken en bewaren,' zei Vader God.
'Maar één ding. Blijf van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad af! Je mag er
niet van eten, anders zul je zeker sterven. Begrepen?'
Adam en Eva knikten. Erg moeilijk was dat niet. Er was
zoveel te ontdekken. Een hagedisje, dat kon zwemmen of een hertje met jongen...
Ze stonden steeds weer verbaasd van Gods wijsheid en goede zorg. En wat was het
fijn als God bij hen was, met hen wandelde en alles besprak.
Eén was er, die de band tussen God en zijn kinderen kapot
wilde maken. Het was satan, een opstandige engel, die in plaats van God de baas
wilde zijn. En de slang, het slimste dier van het veld, wilde hem daarbij wel
een handje helpen.
Op een dag gaan Adam en Eva naar het midden van de hof, waar
de Boom des Levens en de Boom van Kennis van God en Kwaad staan. De slang houdt
hen goed in de gaten. Zodra hij merkt dat Eva alleen staat, kronkelt hij naar
haar toe.
'Mogen jullie van geen ene boom eten?' vraagt hij zeurderig.
Eva draait zich verbaasd om. Praat de slang?
'Ja hoor! We mogen van alle bomen eten,' antwoordt ze.
'Alleen niet van die boom daar, anders zullen we sterven.'
Minachtend draait de slang zijn smalle kop met de koude ogen
opzij. Zijn gespleten tong flitst heen en weer.
'Tsss... sterven? Welnee! God weet
gewoon, dat als je daarvan eet, je net als Hij zult zijn. Dan ken je goed en
kwaad!'
Eva blijft als aan de grond genageld staan. Wat zegt de
slang nou? Zou God het daarom verboden hebben? Ze bekijkt de boom nog eens. Hij
ziet er heel normaal uit. De vruchten lijken sappig en zoet. Voorzichtig steekt
ze één vinger uit om te voelen of ze rijp zijn.
'Wat doe je?'
Het is Adam die achter haar staat.
'Je mag niet aan die boom komen, weet je wel?' zegt hij
vermanend. Eva legt hem uit wat de slang heeft gezegd. Daar kijkt Adam wel van
op. Zou God hen echt dom willen houden, zodat ze niet zoals Hij zullen worden?
Weifelend bekijken ze de boom nog eens van alle kanten. Niks
bijzonders aan te zien. Tenslotte hakt Eva de knoop
door. Ze plukt resoluut twee vruchten en geeft er één aan Adam. Als ze er een
hap uit genomen hebben, weten ze het zeker... De slang heeft gelogen.
Zacht ruisen de bomen in de avondkoelte. Vader God wandelt
door de hof. Hij zoekt zijn kinderen op. Waar zitten ze toch?
'Adam, Eva, waar zijn jullie?' roept Hij een paar keer.
Eindelijk geven ze antwoord vanuit de bosjes, waarin ze weggekropen zitten.
'Wij vinden het zo gek dat wij naakt zijn...' zeggen ze.
Beschaamd komen ze te voorschijn.
O kijk toch! Om hun middel hebben
ze schorten geknoopt van vijgenbladeren.
'Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je naakt bent?' vraagt God
streng. 'Hebben jullie soms van die boom gegeten, waarvan Ik jullie verboden
heb te eten?'
Eva begint te huilen en Adam verontschuldigt zich.
'Die vrouw, die u mij gegeven hebt, die heeft mij van de
vrucht laten eten.' zegt hij.
'De slang heeft me bedrogen,' snikt Eva.
Ja, daar zit de slang. Doodstil, z'n
kop afgewend, z'n ogen gesloten. O, hij haat God.
'Jij slang,' zegt God woedend,
'Vervloekt ben je. Voortaan zul je op je buik gaan en stof in je bek krijgen,
zolang je leeft. En jij, Satan... Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de
vrouw, tussen de mensen die jou willen dienen en haar nakomelingen. EENS ZAL ER
IEMAND GEBOREN WORDEN, DIE JOUW KOP ZAL VERMORZELEN, HOEWEL JIJ ZIJN HIEL ZAL
VERMORZELEN.'
Adam en Eva horen deze woorden en vergeten ze nooit meer. O
ja, Vader God blijft van hen houden, ook al moet Hij hen streng straffen voor
wat ze gedaan hebben. Pijn en verdriet zullen ze ervaren. De aarde zal vol
dorens en distels zijn. Adam zal moeten zwoegen voor zijn dagelijks brood en ze
zullen beiden sterven. Nu ze net als God geworden zijn en goed en kwaad kennen,
mogen ze natuurlijk niet meer bij de Boom des Levens komen. God stuurt hen weg
uit de hof. Een engel met vlammend zwaard moet de toegang bewaken.
Over de woeste hoogvlakte lopen Adam en Eva. Ze zijn geen koning
en koningin meer. Dat is erg jammer. Maar toch... van één ding zijn ze zeker.
GOD HOUDT NOG STEEDS VEEL VAN HEN, WANT HIJ MAAKTE ZELF WARME KLEREN VOOR ZE
VAN SCHAPENVACHTEN. Eva streelt zacht over het krulletjesbont en zegt troostend
tegen Adam, terwijl ze zijn hand pakt: 'Ik hoop maar dat die man, die God
beloofd heeft, gauw komt.'
Nu zitten alle kinderen weer te rekenen, op één na. Dat is Ymke. Ze denkt steeds weer aan het verhaal terug en ook aan
wat ze gisteren heeft gedaan. Tenslotte krabbelt ze een
vraag op een briefje voor de juf. Weet je wat erop staat?
'Juf, houdt God ook nog van je als
je hebt gestolen?'