OT02 - DE MAN ZOEKT EEN VROUW

Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)

 

't Is ouderavond geweest. Als de kinderen van juf Connie 's morgens de klas binnenkomen moet er eerst opgeruimd worden.

'Sjoerd, haal jij de tekenschriften op en Appie de taalboeken,' zegt ze. Gerlande, die zit te springen om ook wat te mogen doen, protesteert luidkeels, 'Dat is gemeen, juf. U neemt allemaal jongens.'

Juf antwoordt verbaasd: 'Het gaat toch niet om jongens of meisjes, Gerlande. Ik kies gewoon een paar kinderen uit.'

Appie geniet er eigenlijk een beetje van, dat Guirlande niet mag helpen. Hij plaagt: 'Meissies zijn niet belangrijk. Weet je waarom niet? Ze staan niet eens op een bankbiljet. Haha!'

Gelijk beginnen alle jongens op de bank te trommelen van plezier, maar de meisjes kijken sip. Juf sust ze lachend.

'Dadelijk ga ik jullie een verhaal vertellen, waaruit je kunt zien hoe belangrijk vrouwen wel zijn.'

Even later zitten ze gezellig in de kring te luisteren naar het verhaal van God.

In de prachtige tuin van Eden staat een man met grote ogen van verbazing. Beurtelings kijkt hij naar zichzelf en naar de wereld om zich heen. Het is Adam, de eerste mens. Die heerlijke geuren, dat ruisen van de bomen en het geklapwiek van een opvliegende vogel... Het is zo mooi. Voorzichtig zet hij zijn voeten op het splinternieuwe gras dat kriebelt tussen zijn tenen.

'Vader God,' fluistert hij eerbiedig, 'Ik verbaas me zo. Wat is dit? Waarom ben ik hier?'

En Vader God, die heel dicht bij hem is, antwoordt vol liefde: 'Dit is leven, m'n kind. Ik geef je deze hof als leefruimte. Je moet hem bewerken en bewaren...'

'Leven met een opdracht?' denkt Adam 'Wat zal ik allemaal meemaken? Ik kan ruiken, kijken, horen, voelen...'

Om hem heen beweegt van alles, hipt, springt, fladdert, kruipt... Mmm! Interessant! Er valt veel te onderzoeken.

Wat een wereld. Wat een leven! Het ene moment ligt Adam op zijn knieën voor een grote mierenhoop en het andere moment ziet hij een kevertje, dat balletjes kan rollen of een visje, dat met waterdruppels schiet... Ergens in een struik zitten een paar jonge vogeltjes luid te tsjilpen om eten, hun bekjes wijd open. De ouden vliegen af en aan. Adams eigen maag begint van de weeromstuit ook te knorren. Zou er wat eten voor hem zijn? Overal groeit heerlijk fruit aan de bomen, dat je zomaar kunt plukken. Hij loopt ernaar toe. Maar God houdt hem tegen.

'Wacht eens, Adam. Eerst moet ik je iets vertellen. Van alle bomen in de hof mag je eten, ook van de Boom des Levens, daar in het midden van de hof. Maar van de boom daarnaast moet je beslist afblijven. Het is de Boom der Kennis van Goed en van Kwaad, want dan zul je zeker sterven,'

Hè, heeft God nu iets gemaakt dat niet goed is? Een boom waarvan je dood gaat? Nee, hoor! Dat niet. 't Is net als met elektriciteit. De mens moet er mee leren omgaan. Hij moet leren kiezen. Het goede doen en het verkeerde laten. Adam overlegt bij zichzelf.

'Sterven? Is dat soms ophouden met leven? Dat zou vreselijk zijn. Dat wil ik niet.'

Hij keert zich resoluut van de Boom af. Er zijn genoeg andere bomen om van te eten... bomen met ronde vruchten, met kleine vruchtjes, met trosvruchten. Wat heeft God alles toch goed bedacht.

Hoog in het bergland van Eden ontspringt een rivier, die zich, wat lager gekomen, verdeelt in vier stromen. Overal waar je bent in de hof kun je het water horen kabbelen of bruisen. Heerlijk verfrissend zijn de kleine watervalletjes hier en daar. Op speciale plaatsen komen dieren drinken. Adam gaat ernaar kijken. Ze zijn helemaal niet bang. Hij merkt al gauw dat ze zelfs doen wat hij zegt.

'Kom eens hier,' zegt hij tegen een dier met gelige ogen en een grote bos manen om zijn kop. Laat je tanden eens zien. De grote bek gaat gehoorzaam open. Adam betast de staart eens, het kwastje aan het eind.

'Adam,' hoort hij plotseling God roepen, 'Geef hem maar een naam.'

O wat leuk! Adam mag de dieren namen geven.

'Ik noem je leeuw,' zegt hij, 'Je zult de koning der dieren zijn.'

Vader God heeft plezier in Adam. Hij brengt nog veel meer dieren bij hem, zelfs de vogels komen aanvliegen. allemaal krijgen ze een naam. Dat is niet makkelijk, hoor! Je moet goed kijken wat zo'n dier doet en hoe zijn karakter is. Stel je voor dat je een strandloper een roodborstje noemt. Of een zeemeeuw een bosuil.

Adams bewondering voor God wordt steeds groter. Uit heel de schepping zie je zijn wijsheid. Op een gegeven moment echter merkt Adam iets bijzonders op. Dat was ook precies wat God hem wilde laten ontdekken. Alle dieren zijn samen! Mannetje, vrouwtje, mannetje, vrouwtje. Waar is echter de mens die bij hem past? Hij denkt niet meer aan de dieren, maar kijkt zoekend rond, roept zelfs. De bergen weerkaatsen alleen zijn eigen stem.

'Dat de mens zo alleen is is niet goed,' zegt God. 'Ik zal een vrouw voor hem maken, die bij hem past.'

Hij laat Adam in een diepe slaap vallen. Voorzichtig, zonder een wond te maken neemt God één van zijn ribben en sluit zorgvuldig de plaats weer dicht met vlees. Hiervan bouwt Hij een vrouw. Fijner wordt ze, mooier, zachter... Ze lijkt op Adam, maar is toch anders, ook in haar karakter.

'Adam, wakker worden,' zegt God dan, 'Kijk eens!...

Twee stralende ogen kijken Adam aan vanuit een knap gezicht met een schitterende bos krullend haar. Adam weet niet wat hij ziet. Een vrouw voor hem? Waar hij mee kan praten, die precies bij hem past? O, wat is hij blij.

'O, dankuwel, Vader God!' roept hij uit terwijl hij naar haar toe loopt. 'Dat is precies waar ik naar zoek. Ik noem haar mannin.'

Adam pakt haar kleine hand in zijn grotere knuist en overgelukkig wandelen ze weg om nu samen Gods wijsheid in de schepping te gaan ontdekken.