NT53 - De
laatste maaltijd
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Jongens, eten!’
De stem van je moeder roept je aan tafel. Ze heeft weer
lekker voor je gekookt. Terwijl ze het eten opschept vraagt ze hoe het op school
geweest is. Je kijkt rond, kibbelt een beetje met je broers en zussen. En je
beseft niet hoe rijk je bent met zorgzame ouders en een gezellig gezin. Eten en
liefde horen immers bij elkaar. Zat kinderen die dit moeten missen.
Weet je wat de indrukwekkendste maaltijd is geweest van alle
tijden? Waar miljoenen mensen nog steeds aan terugdenken?
Nee, dat zijn niet de dure banketten van koningen, waarbij er wel eens een heel orkest uit een taart te
voorschijn sprong, of waar wijn uit een fontein opborrelde. Geen maaltijd uit
het Guinness Book of Records. Nee, het is… de
maaltijd die Jezus gebruikte met zijn vrienden op de avond voordat hij stierf.
Men noemt die maaltijd: Het Laatste Avondmaal.
Over deze intieme maaltijd zijn muziekstukken gecomponeerd
en prachtige schilderijen geschilderd. Men maakte er
films over en liederen. Het Heilig avondmaal vormt het hart van het Christendom. In brood en wijn toont Jezus ons dat Hij zijn
leven gaf om ons te redden van de zonde. Wat een liefde!
Johannes, de jongste discipel van Jezus, was er die avond
bij. Hij schreef het op in zijn evangelie. De bijbel
geeft dus een betrouwbaar ooggetuigenverslag. Hoe zou Johannes het in onze tijd
vertellen?…
‘Toen we die avond na de voetwassing allemaal aan tafel
zaten merkte ik dat Jezus ergens veel verdriet over had. Zijn stem klonk onvast
toen hij begon te spreken.
‘Vrienden,’ zei Jezus, ‘dit is de keiharde
waarheid: een van jullie zal mij verraden.’
We schrokken vreselijk, dat begrijp je. Dit kon toch niet
waar zijn. We hielden allemaal hartstikke veel van
onze Meester. Stuk voor stuk hadden we alles opgegeven om Hem te volgen. We
wilden ons leven wel voor hem geven.
‘Ben ik het?’ vroegen mijn vrienden stuk voor stuk. ‘Heer,
vergist u zich niet? Dit kan gewoon niet waar zijn.’
Mijn blik kruiste die van Petrus.
We waren honderd procent zeker van onszelf en van elkaar. Ik haalde mijn
schouders op, maar Petrus gebaarde dat ik aan de
meester moest vragen wie het was, omdat ik het dichtst bij hem lag. Dus ik boog
me dicht naar Jezus toe en vroeg zachtjes: ‘Wie, Heer?’
Jezus legde zijn hand liefdevol op mijn
hand en dat stelde me gerust. ‘Het is de persoon aan wie ik dit stuk brood
geef, Johannes,’ fluisterde Jezus. En toen dipte hij
een stuk brood in de saus en gaf het aan Judas Iskariot.
Mijn mond viel open van verbazing. Zou Judas echt tot zo iets in staat zijn?
Judas was een stille, dat was waar en we wisten allemaal dat hij graag wilde
dat Jezus koning zou worden. Oké, maar ging hij de meester verraden nu zijn
verwachting de bodem werd ingeslagen? Met een schuin oog keek ik naar hem. Had
ik dat maar niet gedaan. Ik schrok van wat ik zag. Nu Judas merkte dat Jezus
hem door had werd hij des duivels. Zijn anders nogal saaie gezicht vertrok in
een demonische grijns. Hij probeerde zich nog te beheersen door net als de
anderen te roepen: ‘Ik ben het toch niet, meester?’ De
schijnheiligheid droop er af. Jezus wilde hem toch nog
sparen.
‘Judas,‘ zei hij beheerst, ‘Wat je moet doen, doe dat maar
snel.’
Nog kauwend op het brood, dat Jezus hem had aangereikt stond
Iskariot op en vertrok richting deur.
De anderen dachten dat hij een boodschap moest doen of geld
aan de armen moest gaan geven, maar Petrus en ik
wisten wel beter.
Achteraf gezien hing er meteen een andere sfeer in de zaal
toen Judas was vertrokken. We schoven allemaal een beetje dichter naar de
meester en luisterden naar wat hij had te zeggen.
‘Lieve vrienden,’ zei Jezus
ernstig, terwijl hij rechtop ging zitten, ‘nog even en dan ben ik niet meer bij
jullie. Van nu af aan zijn jullie op elkaar aangewezen. Hou
dan ook van elkaar. Hou net zoveel van elkaar als dat
ik van jullie houd. Dan zal iedereen zien, dat je mijn discipelen bent.’
We keken elkaar aan en waren perplex. Wat voor onheil hing
ons boven het hoofd? Waar ging Jezus naar toe en waarom konden we dan niet bij
hem komen.
Petrus stelde vragen, Tomas en zelfs Filippus. Verschillenden hadden tranen in hun ogen.
‘Vanaf dit punt moet ik de weg verder alleen gaan.’ zei Jezus, ‘Ik zal overgeleverd worden in handen van
keiharde lui. Jullie kunnen me daarbij niet helpen, het is te zwaar…’
‘O jawel, hoor, meester,’ riep Petrus,
die zoals altijd het weer beter dacht te weten, ‘Echt, ik volg u door dik en
dun, al zou het me mijn kop kosten!’
Jezus schudde zacht van nee. Ook al had Simon de beste
bedoelingen en was hij vast van plan Jezus te verdedigen, toch zou hij falen. ‘Petrus, geloof me, voordat de haan morgenochtend kraait,
zul je me drie keer verloochend hebben.’
‘Ik?…’ stotterde Petrus verbluft.
‘Echt niet!… dat zou ik nooit doen!’
Hij keek me ontredderd aan: ‘Johannes, wat moet ik…’
We waren allemaal overdonderd, ook ik. De woorden van Jezus
waren ingeslagen als een bom. Als zelfs Petrus de
Heer niet helpen kon, wat zou er dan van ons worden. De Heer voelde onze angst
feilloos aan en begon ons te troosten.
‘Kinderen,’ zei Jezus, ‘Wees niet bang of bezorgd…
Jullie geloven toch in God? Geloof ook in mij. Ik ga voor jullie een plaatsje
klaar maken in het huis van de Vader en dan kom ik weer terug en zal ik jullie
meenemen. Dan mogen jullie voor altijd bij me komen wonen.’
Zouden we ergens gaan wonen? Waar dan? Werd Jezus soms
koning en kwamen we in een paleis te wonen? Maar we hadden geen
routebeschrijving. En die Vader, kon Jezus daar soms meer over zeggen?
Plotseling drong Tomas zich naar voren en viel op zijn
knieën voor Jezus. ‘Heer, vertel toch alstublieft waar u naar toe gaat. Hoe
kunnen we de weg er naar toe vinden? Straks zijn we u voorgoed kwijt.’ Hij was
echt van streek.
Jezus pakte zijn bevende handen vast en
richtte hem op. Hij hield zoveel van die zwaarmoedige discipel...
‘De weg, Tomas?’ zei hij, ‘De enige
weg naar God, de Vader? Dat ben ik. Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader dan via mij…’
Op dat moment konden we alles nog niet vatten. Later, veel
later begrepen we pas echt de diepe betekenis van deze woorden.
De avondwind bracht een verkoelend briesje door de open
ramen. De olielampjes flikkerden. Ik keek de zaal rond. Er lag een klein plasje
gemorste wijn op tafel. Het flonkerde donkerrood als bloed. En ernaast lag een
restje brood. Deze maaltijd zou voor altijd in mijn geheugen gegrift staan.’