Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Lachen ze
jou wel eens uit op het schoolplein? Sturen ze je vervelende berichtjes? Nou,
trek het je niet aan, De Heer Jezus maakte dat ook mee. Weet je wie Hem
uitlachten? De Farizeeën. Dat waren godsdienstige leiders, die de Tora en de profeten hadden bestudeerd (dat is de bijbel van toen). Ze werden door iedereen bewonderd, omdat
ze stipt Gods wetten onderhielden. Zij hadden de hemel wel verdiend, dachten
ze. Fijn hoor, als je zo hoog van jezelf denkt.
Maar als ze
goed hadden gelezen dan wisten ze dat er niemand goed genoeg is en dat we
allemaal een redder nodig hebben. Ze hadden Jezus moeten herkennen als de
beloofde Messias. Jezus deed wonderen en tekenen… en
ze begrepen het niet. Zelfs toen hij opstond uit de dood
geloofden ze niet. Dat komt omdat het koninkrijk van God alleen maar is
voor nederige mensen, niet voor lui die denken dat ze goed zijn. Om hen dat
duidelijk te maken vertelde de Heer Jezus het volgende verhaal.
Er was eens
een rijke man, die in een schitterend paleis woonde. Hij had veel bedienden,
die voor hem bogen als knipmessen. Kamerdienaars, keukenpersoneel, tuiniers,
zangers en danseressen… Elke dag kwamen er handelaars aan de deur met de meest
luxe dingen. Kunstig geweven tapijten, koperen tuitkannen en exotische vogels.
Hij droeg geen grof wollen jas, welnee, alleen het fijnste linnen was goed
genoeg. Elke dag wat anders, andere sandalen, andere hoofddoeken, andere
sieraden. Hij had zelfs een purperen jas, die was geverfd met verf uit
purperslakjes, een heel zeldzame en dure kleurstof, die alleen koningen konden
betalen.
Die rijke
man, we weten niet eens hoe hij heet… was een echt partybeest. Elke dag hield
hij houseparty’s, muziekparty’s, verkleedparty’s, dansparty’s, oosterse party’s
en ga maar door. Dan werd alles versierd en verlicht. En lekker eten dat ze dan
hadden. Mmm, het water liep je in de mond.
Er was ook
een bedelaar. Hij heette Lazarus. ‘God is mijn helper’ betekent dat, wat een
belachelijke naam was voor zo’n stakker. Die Lazarus
had zo’n honger en hij was zo ziek. Heel zijn lijf zat
onder de zweren. De koorts maakte hem dorstig, zijn lippen waren gebarsten.
‘Een
aalmoes, alstublieft,’ vroeg hij aan de mensen, maar ze liepen met een bochtje
om hem heen. Stel je voor dat ze besmet werden. Zijn lege maag dreef Lazarus
naar het paleis van de rijke. Daar zou hij vast wel eten krijgen, restjes van
de feestmaaltijden… Maar ze joegen hem weg bij de vuilnisbakken. Zelfs de
afgekloven botjes mocht hij niet pakken. Er kwam een stel vieze straathonden
aanrennen die hem omverliepen en besnuffelden. Ze
likten aan zijn zweren. Au, au! Wat deed dat zeer.
Zo gingen
er dagen voorbij. De rijke man ergerde zich alleen maar aan die smerige
bedelaar daar bij zijn mooie trap. Hij liet hem geen eten brengen, geen verband
of schone kleren, zelfs geen slokje water.
‘God is
mijn helper’ ging daarom dood. Gewoon daar, op de trappen van het paleis.
Slaven van
de rijke man gooiden zijn lichaam op de vuilnishoop onder een bende rommel,
blij dat hij eindelijk weg was. Maar zijn ziel en zijn geest…glipten door het
poortje van de hemel. Want als we het hoekje omgaan
komen we in de dimensie van God.
De
luisteraars rondom Jezus haalden hun schouders op. Wat maakt één zo’n bedelaar nou uit. Er gingen dagelijks bedelaars dood…
Waar ze wel nieuwsgierig naar waren was hoe het verder ging met die rijke.
‘Die
rijke?’ zei Jezus, terwijl hij de kring rondkeek, … ‘Die ging toevallig
diezelfde avond ook dood.’
Tja, dat
kan gebeuren. Daar had hij vast geen rekening mee gehouden. Al zijn spullen
werden onder zijn vijf hebzuchtige broers verdeeld.
HIER
EINDIGT JEZUS’ VERHAAL VAN DE RIJKE MAN EN DE ARME LAZARUS OP AARDE. HET GAAT
IN DE HEMEL VERDER. WIL JE WETEN HOE? LEES DE REST IN DE SPIEGEL!


(Voor het
geval je niet in de spiegel wilt kijken, volgt hier het verhaal “normaal”)
‘Hé, waar
ben ik?’ dacht Lazarus toen hij zijn ogen opendeed. ‘Ik droom, ik droom…
Stralend lichte figuren verzorgden hem, droegen hem
naar een rustbank. Waren dat engelen? Lazarus voelde nergens meer pijn en het
rook hier zo heerlijk naar bloemen. Snel keek hij naar zijn handen, geen
zweren, geen korsten vuil.
‘Wat
heerlijk om je vlakbij mijn hart te hebben, kind,’ zei een man met warme bruine
ogen. ‘Kijk, de tafel is gedekt en er is drinken om je dorst te lessen.’ Het was
Abraham, de vader van alle gelovigen.
Wat was het
hier mooi. Hier ademde je geen lucht, maar liefde. Een snik ontsnapte aan de
borst van Lazarus. Eindelijk thuis, wat heerlijk, wat hemels…
‘Hé, waar ben ik?’
dacht ook de ex-rijke. Hij sloeg zijn ogen op in het dodenrijk, waar hij hevig
gekweld werd. Vlammen
en vuur om hem heen en hij verging van de dorst! Niemand om bevelen aan te
geven of tegen op te scheppen. Doodalleen temidden
van vele andere verdoemden.
Ineens werd
zijn oog getrokken naar een licht in de verte. Daar waren geen vlammen, maar er
werd een feestje gevierd. De ex-rijke probeerde dichterbij te komen. Ja hoor,
er zaten al twee gasten aan tafel. Die ene herkende hij meteen als Abraham, wat
erg raar was, want die had hij nog nooit gezien. Maar wie lag daar vlak naast
Abraham aan tafel, op de beste plek? Dat gezicht kende hij ergens van. Prins…, eh nee…, rechter…., nee…. Wacht
even dat was… LAZARUS, de bedelaar?? Hoe kan dat nou?
O, dan kon die hem wel even wat water brengen!
‘Vader
Abraham,’ riep hij, ‘heb medelijden met mij. Stuur
Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om
mijn tong te verkoelen, want ik lijdt pijn in deze vlammen.’
Zou Abraham
hem horen? Zou hij inzien dat er een vergissing was gemaakt?
Abrahams
antwoord klonk als een donkere kerkklok, galmend door de hel.
‘Kind,
bedenk wel, dat jij het deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen,
terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend. Nu vindt hij hier troost, maar
jij lijdt pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat
wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan en ook niemand van jullie naar
ons kan oversteken.’
Dat was
even slikken. De ex-rijke was dus gedoemd hier in de hel te blijven. Het ergste
was dat hij het aan zichzelf te wijten had. Behalve dorst had hij nu ook nog
brandende spijt. Hij herinnerde zich in eeuwigheid alle kansen die hij had
gehad. Waarom werd er op aarde niet meer gewaarschuwd voor de hel. Neem nou
zijn broers, die gingen lekker feesten van zijn geld.
‘Vader,’ smeekte hij dus, ‘ik heb nog vijf broers. Stuur Lazarus
naar hen toe om ze te waarschuwen. Straks komen ze ook nog in dit oord van
martelingen.’
Nog steeds
dacht de oerstomme man dat hij Lazarus als knecht kon gebruiken.
Abraham
bleef kalm: ‘Die broers van jou hebben de Tora en de
profeten, daar moeten ze naar luisteren.’
‘Nee, vader
Abraham, maar als iemand uit de dood opstaat zullen ze
tot inkeer komen.’ pruttelde de ex-rijke tegen.
Maar
Abraham besloot: ‘Als ze niet naar de bijbel
luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de doden
opstaat.’
‘Alle eer
en glorie is aan God!’ galmde het door de hemel. Het
waren de engelen, die de eeuwige Vader alle lof toezongen...
Hallo, ben
je weer met je beentjes op de grond terechtgekomen? Uit dit verhaal van Jezus,
waarmee Hij de Farizeeën waarschuwde, kunnen we wel iets leren. Er is een hemel
en een hel. De weg naar de hemel is gratis en voor niks.
Maar wij moeten er wel zelf voor kiezen om te zorgen voor mensen die er
ellendig aan toe zijn.