Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Zeg dokter
Lucas.” vraagt Theofilus, een geleerde Griekse man
aan zijn vriend, terwijl hij een druif in zijn mond steekt.
Ze zitten
samen in een zuilengang van een mooi wit huis te praten over wat er gaande is
in het land.
“Ik hoor
zoveel verhalen over Jezus, en neem me niet kwalijk: heel sterke verhalen. Wat móét ik daar nu mee? Stel je voor dat ik een stel
kletsverhalen zou gaan geloven – dan maak ik me toch belachelijk?”
Lucas knikt
en strekt wat onrustig zijn lange benen even uit. Theofilus
raakt een goed punt aan. Daar zit hij zelf ook al een tijd over na te denken.
Het wordt hoog tijd, dat er eens iemand komt die alles nauwkeurig uitzoekt en
precies opschrijft wat er is gebeurd met Jezus, de zoon van God. Van het begin
tot het eind. Zijn vriend Paulus heeft dat ook al eens voorgesteld. Na een
korte aarzeling zegt hij dan:
‘Theofilus, jouw vraag is van het grootste belang. Het wordt
tijd dat ik aan de slag ga om alles haarfijn te onderzoeken en op schrift te
stellen. Ik ga tijd vrij maken voor dit project. We moeten het vragen aan
mensen die er met hun neus bovenop gestaan hebben... Niemand zal mij iets op de
mouw spelden, Theofilus!’
En zo begint Lucas aan een
veelomvattend karwei. De waarheid boven water te halen. Onomstotelijk. Vele
maanden en veel bezoeken later staat alles nauwkeurig op schrift. Het wordt
genoemd: het evangelie van Lucas, deel 1. Theofilus
was er maar wat blij mee. Hij liet het overschrijven en deelde de exemplaren
met gulle hand uit. Het ging over Jezus’ geboorte tot aan de dag waarop hij in
de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen had gezegd wat hun opdracht
was. Wat een verrukkelijk boekje!! Maar toch wilde Theofilus nog meer weten. Hoe ging het nu met het
koninkrijk van God, met de jonge kerk? ‘Theofilus,
vriend van God,’ schrijft Lucas nadat hij zijn van
zijn verlangen had gehoord, ‘het gaat geweldig goed met de kerk. Ook dat heb ik
precies uitgeplozen. Ik stuur u nu mijn tweede boekje. Kopieer
het zoveel u maar wil, want iedereen moet het horen.´
Het boekje noemt men: DE
HANDELINGEN DER APOSTELEN. Het begint waar het eerste boekje eindigde. Met Hemelvaart.
“Wauw!” zegt Petrus. Hij laat zijn handen zakken, die hij opgeheven had
naar de hemel. De twee mannen in witte kleren, die hen toegesproken hebben, zijn weer verdwenen, maar wat meer is JEZUS IS WEG,
VERDWENEN, NAAR DE HEMEL GEGAAN. Hij kijkt de kring van zijn vrienden eens rond
en zegt nogmaals uit het diepst van zijn hart: ‘Wauw!!
Halleluja!’ “Hij heeft de hele wereld lief!’ zegt Johannes, diep onder de
indruk. ‘kun je je dat voorstellen? Niet alleen de
Joden, maar alle mensen tot het uiterste van de aarde…’ ‘’t Is niet te
geloven,’ zucht Tomas.
‘Tomas!!!’ roepen ze allemaal in koor. Lachend. Tomas wuift
met zijn hand, ‘Jaja! Dit keer geloof ik het echt, ik
bedoelde…’ ‘Actie mannen,’ zegt Simon de IJveraar,
‘kom op. Jullie hebben gehoord wat Jezus zei. ‘Blijf in de stad totdat jullie
kracht hebben gekregen uit de hoge. Wat gaan we dus doen?’ ‘Je hebt gelijk,
Simon,’ roepen ze, ‘Op
naar de bovenzaal. Wat is dit allemaal spannend!!!’
Opgewonden vertrekt de groep discipelen naar de bovenzaal in Jeruzalem, waar ze
ook het laatste avondmaal gebruikt hebben.
’t Is een hele klim om in de zaal te
komen, al die trappen… Maar ze voelen zich er thuis na alles wat er gebeurd is.
Thuis? Nou ja, een thuis hebben ze niet. Thuis is eigenlijk waar ze allemaal
zijn. Zo zien ze dat na drie jaar omzwervingen. Al spoedig krijgen ze visite.
Het gerucht dat Jezus naar de hemel is gegaan verspreidt zich snel onder de
aanhang van de Heer. Iedereen wil er het zijne van
weten. Na een paar dagen zijn er al zo’n 120 mensen
bij elkaar. Het wordt dringen en opschuiven.
Het is extra druk, omdat
het oogstfeest voor de deur staat, waardoor er veel mensen naar de tempel zijn
gekomen om te feesten. Soms gaan er een paar eten kopen, of bidden op het tempelplein. Er zijn
kinderen bij en oude mensen. Het is een gekakel van jewelste. Er wordt half
zingend gebeden; de een doet het luider, zangeriger, sneller dan de ander.
Anderen praten er gewoon doorheen, waardoor een mengelmoesje van geluiden
ontstaat. Er is zoveel liefde onderling. Niemand heeft zin om naar huis te
gaan, hoewel de zaal afgeladen vol is. Maar ondanks hitte en drukte blijven
alle gelovigen eendrachtig bijeen. Soms ineens is het stil, dan begint iemand
te vertellen, wat Jezus voor hem of haar heeft gedaan. Soms snikt iemand. De
emotie is te snijden.
De elf discipelen vormen
het middelpunt van de drukte, want zij waren alle dagen bij Jezus. Vroeger waren ze met z’n twaalven, maar Judas leeft niet meer. Het voelt als een
gemis, want het horen er twaalf te zijn. Daarom stelt Petrus
dan ook op een gegeven moment voor: ‘Broeders en zusters, de taak die we moeten
gaan vervullen behoort door twaalf apostelen te worden gedaan. We moeten iemand
erbij hebben. Iemand, die van alles afweet, die elke
dag met ons optrok. Verschillende handen gaan omhoog. ‘We gaan loten en moge
God degene aanwijzen die hij uitkiest.’ En, wat denk je… het lot valt op Mattias. Hij wordt door iedereen gefeliciteerd.
Die nacht erna, de nacht
voor Pinksteren kan niemand slapen. Er wordt voortdurend vurig gebeden. En
verteld van de grote daden van Jezus. Alsof er een dijk doorgebroken is zo
komen de verhalen los, van Jezus die een blinde genas en een bezetene
bevrijdde. Lazarus vertelt van zijn opstanding en Jacobus van de
tempelreiniging… Mattias doet enthousiast mee…
De halleluja’s zijn niet
van de lucht. Een haan kraait in de verte, maar niemand hoort het. De ochtend
is aangebroken. Honderdtwintig mensen staan God te
loven en te danken met de handen in de lucht. En dan gebeurt datgene wat Jezus
heeft beloofd. Gods Geest daalt neer op zijn volk. Plotseling klinkt er uit de
hemel een geluid van een geweldige windvlaag. Die storm waait door de ramen
naar binnen en vult het huis. Ze worden allen aangeraakt met kracht. Op hun
hoofden vuurvlammen… Ongelofelijk! De volgelingen van Jezus beginnen in
vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hun ingeeft!! Het gaat maar door en het gaat maar
door…
Op het tempelplein komen
steeds meer mensen. Ze horen het lawaai en roepen: ‘Hé, wat gebeurt er bij
jullie?’ ‘Volgens mij zijn ze gewoon dronken,’ roept een koopman en spuugt
minachtend op de grond. ‘Welnee, man, ik hoor ze in mijn eigen taal spreken.
Hoe kan dat nou? Ik dacht dat het domme mensen uit Galilea
waren. Hoe kan dat?’ ‘Ja, ik hoor ook mijn eigen taal, en ik, en ik….’ ‘O ja, wat zeggen
ze dan?’ vraagt de koopman, die niet wil toegeven dat hij het fout heeft. ‘Ze
vertellen van de grote daden van God… ‘ Wat is dit toch, mensen?… ‘Hé, jullie daar,
vertel op. Zijn jullie doof of zo. Waar is jullie leider?’ De menigte groeit maar aan. Het zijn
er al duizenden. Ze rekken hun nekken om maar niets te missen. Eindelijk komt Petrus
naar buiten en de anderen volgen hem. Ze stralen van blijdschap en beginnen aan
ieder die het horen wil in hun eigen taal te vertellen, dat Jezus’ koning is. Als Petrus met zijn hand tot stilte maant wordt het eindelijk
weer rustig. ‘We
zijn niet dronken,’ begint hij. ‘Het is pas negen uur ’s ochtends. Nee, dit is
al lang geleden geprofeteerd door de profeet Joël….’ Die toespraak van
Petrus is zo mooi, zo indringend. De mensen die hem
aanhoren gaan in Jezus geloven. En ze vragen wat ze moeten doen om gered te
worden. ‘Bekeer je en laat je dopen,’ zegt Petrus,
‘en dan zul je ook zo blij worden als wij…’ Op die dag, de eerste Pinksterdagl worden er drieduizend mensen gedoopt. En dat
is een goeie start voor de kerk van Christus!