NT35 - DE DISCIPELEN BEVRIJD
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het is warm,
erg warm in Jeruzalem. Bijna iedereen doet een middagslaapje ergens in de
schaduw. Het Tempelplein ligt er verlaten bij. Verlaten? Niet helemaal.
Daar in de Zuilengang
van Salomo, de koelste plek van de Tempel, is nog een aantal mensen bijeen. Zij
doen geen middagslaapje. Het zijn de vrienden van Jezus. Petrus
is er en Johannes... Ze delen brood en water uit aan een paar hongerige,
doodarme mensen. En straks zal Matteüs een mooi
verhaal vertellen van wat Jezus leerde en deed. Wat geweldig, dat de leerlingen
van Jezus precies zo doen zoals Hij het hun geleerd heeft.
In één van de
bijgebouwen staat de Hogepriester. Hij zet zijn mooie witte tulband op. Er zit
een gouden band omheen.
'Heilig voor
de Here.' staat daarin gegraveerd.
Maar of deze
Hogepriester nou wel zo heilig is...
Het is
dezelfde Hogepriester die Jezus heeft laten kruisigen.
En ook Jezus'
volgelingen haat hij uit het diepst van zijn hart.
Kijk, daar
wordt het gordijn opzijgeschoven. Drie wetgeleerden stappen binnen.
'Sjalom, Annas,'
zeggen ze met een buiging, 'Hebt u het al gehoord. Die gabbers van Jezus staan
weer in de tempel. Ze blijven het volk leren dat Jezus de Messias is. We moeten
er een eind aan maken.'
'Roep de
officier van de Tempelpolitie!' zegt Annas boos. 'We
gaan eens even flink actie ondernemen!'
Door de Gouden
Poort lopen drie armoedig geklede kinderen. De oudste, een jongen van een jaar
of tien, draagt een klein meisje op zijn rug. Zijn zusje houdt stevig de punt
van zijn jas vast.
'Loop nou
door, Zena,' zegt de jongen.
'Kijk, daar
moeten we zijn, bij die pilaren. Dat heeft de waterverkoper gezegd.'
'Ik heb zo'n honger!' klaagt Zena.
Het meisje op
de rug kreunt. Het heeft koorts. Mika, de grote
jongen voelt de warmte van haar lijfje door zijn dunne jas heen stralen. Hij
versnelt zijn pas. Zena sloft vermoeid mee. Ach, ze
hebben ook al zo lang gelopen. De drie kinderen, afkomstig uit een dorpje in de
buurt, zijn met hun zieke zusje op weg naar de apostelen.
'Uit de weg!
Zoon van een hond!' hoort hij plotseling tegen zich schreeuwen. Mika springt verschrikt opzij. O, kijk, daar komt de
Hogepriester aan. Tempelpolitie omringt hem.
Vol ontzag
kijkt hij hem na. Waar zou die allerbelangrijkste man naar toe gaan? Annas gaat naar de Jezusmensen.
Alle apostelen worden gearresteerd. Wat erg! Nu is het feest voorbij. Tranen
schieten in Mika's ogen. Hoe moet het nou met zijn
zieke zusje?
'Here God, help ons toch, alstublieft!' bidt hij zacht.
'O Here, help ons toch, alstublieft!' bidden ook de apostelen.
Ze zitten in
de vieze gevangenis. Het stinkt er naar schimmel en urine. Een kakkerlak loopt
over de muur. Wie zal nu het werk van Jezus voortzetten? Zullen ze nu allemaal gekruisigd worden?
Langzaam wordt
het nacht. Hun fluisterende stemmen verstommen. Ze
vallen in slaap op de bank, dicht tegen elkaar aangekropen voor de kou.
Duizenden
sterren stralen aan de hemel. De maan stuurt een straaltje door het raam van
het huis van de Hogepriester. Die slaapt onrustig. Hij droomt van een rare
koning die hem wil pakken. O, dat komt vast en zeker door de gebeurtenissen van
die middag. De maan schijnt ook door de tralies van de gevangenis. Daar slapen
de apostelen tegen elkaar aangeleund in de koude cel. Zij hebben vredige
dromen.
Een klein
olielampje flakkert door de tocht van de deur.
Er komt iemand
de cel binnen.
'Opstaan,
mannen!' klinkt het helder en klaar.
De vrienden
van Jezus schrikken wakker. Opstaan? Nu, in de nacht? Vlug graaien ze hun
sandalen bij elkaar. De mantels worden omgegespt en dan lopen ze nog
slaapdronken, achter de man aan die hen riep. Moeten ze verhoord worden?...
Gemarteld misschien? Ze durven geen woord met elkaar te wisselen, bang dat de
soldaat boos wordt.
Een ding is
wel vreemd. De gevangenisdeuren gaan zomaar open. Waarom gebruikt die soldaat
geen sleutels? En waar is de wacht?
Even later
staan ze op straat. De koele nachtlucht slaat fris tegen hun gezicht. De
soldaat keert zich om en glimlacht. Hij is beslist geen kwaaie.
'Ga terug naar
de Tempel,' zegt hij, 'Daar is nog veel werk te doen.'
Terug naar de
Tempel? Zijn ze dan vrij?
Ze roepen door
elkaar heen.
Als ze nog wat
aan de soldaat willen vragen, is hij verdwenen.
'Een engel!' zegt
Tomas verbaasd. 'Volgens mij was dat...'
'Een engel van
God, die ons bevrijdde!' roepen ze nu allemaal dooreen. Ze kunnen het haast niet geloven.
Even later
lopen ze weer op het Tempelplein. De opkomende zon kleurt de hemel prachtig
rood en oranje. Het is net alsof de hemel mee wil doen met het feest, dat weer
gaat beginnen.
De drie
kinderen, die in een donker hoekje bij de poort liggen te slapen worden wakker
van het gepraat. Wat zijn ze blij. Daar zijn de Jezus mensen weer. God heeft
hun gebed verhoord. Met zijn zieke zusje op de arm en Zena
aan de hand, loopt Mika naar Petrus
toe. En Petrus bidt voor haar in de naam van Jezus.
Meer en meer mensen komen eraan. Ze dragen zieken mee op veldbedden en
matrassen...
De soldaten
kijken wel op hun neus als ze merken dat alle gevangenen weg zijn. Hoe is dat
nou mogelijk? De Hogepriester laat iedereen streng ondervragen. Hij is witheet
als hij hoort dat die gabbers van Jezus gewoon weer op het Tempelplein staan.
Ja, niets kan het feest van God tegenhouden, geen boze
woorden, geen gevangenismuren, geen geselslagen, niets!
Het feest gaat
gewoon door tot nu toe.