NT31 - AL HET GELUK VOOR JORAM
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Wat is het
toch altijd druk bij de Schone Poort van de Tempel te Jeruzalem. Honderden
mannen en vrouwen klimmen dagelijks de trappen op. Ze gaan door de poort om in de
Tempel te bidden. Daarom heeft Joram, de verlamde man, daar zijn vaste plekje
gekozen. Mensen die tot God bidden, geven graag geld aan een arme stumper. Soms
haalt hij veel geld op en soms, als de belasting weer eens verhoogd is, wat
minder. Zou hij vandaag minder geluk hebben? Ga je mee kijken? Het is een warme
dag in het jaar 33 na Christus.
'Opzij! Opzij!
Mogen wij er even door?'
Moshe en Jacov sjouwen met hun
vriend Joram door de mensenmenigte. Pft! Wat is hij
zwaar. Ze dragen hem de trappen op en leggen hem naast de poort neer.
'Zo. Op je
vaste plekje, hè, Joram? Zit je zo goed?' vraagt Moshe.
'Hier is je waterkruik. Enne
veel mazzel, hoor! (veel geluk!)
Jacov zegt: 'Mazzel tov, Joram! Tot
vanavond maar weer.'
De invalide
man tilt met moeite zijn rechterhand omhoog om hen te groeten. 'God zegene jullie, hoor!'
Hij schuift
wat dichter naar de muur.
Leunend tegen
de witte pilaar kan hij zich een tijdje rechtop houden. Zijn magere handen
grabbelen naar het houten bedelschaaltje en hij begint te roepen: 'Geld
alstublieft! Heeft u nog wat voor een arme stumper als
ik.'
Daar zit hij
dan, net als gisteren en eergisteren en de dag ervoor. De mensen kennen hem
goed. Sommigen gaven hem al wat kopergeld toen ze nog kinderen waren. Joram is
al meer dan veertig jaar verlamd. Vanaf zijn geboorte. Werken kan hij niet en
bidden in de tempel ook niet, maar het ergste is wel dat domme gepraat van de
mensen. Ze zeggen tegen elkaar: 'Het is de straf van God.'
Dan voelt
Joram zich zo ellendig. Het is net of hij er niet bij hoort. Gelukkig heeft hij
een paar fijne vrienden die hem elke dag hier neerzetten.
'Geld
alstublieft... Dankuwel!'
'Ben je klaar,
Johannes?' vraagt Petrus ongeduldig. 'Er lopen al
zoveel mensen naar de tempel.'
'Ja, ik kom!'
antwoordt Johannes. Hij gespt zijn lange mantel om. Samen lopen ze naar de
tempel. Het is al bij drieën, bijna gebedstijd.
'Het is
geweldig, Petrus!' zegt Johannes blij. 'Nu kwam er
weer iemand bij me om te vertellen dat hij al zijn geld aan de arme mensen
heeft gegeven. Het was Stefan, de verver, weet je wel?'
'Fijn, zeg!' roept Petrus enthousiast, 'Het
werk van Jezus gaat door. Heb je al gehoord van...'
Petrus kan zijn zin niet afmaken, want door de drukte worden
ze uit elkaar gedreven. Vrouwen en kinderen, grijsaards en schriftgeleerden,
alles krioelt door elkaar.
Juist willen
ze door de poort lopen, als Johannes iemand aan zijn jas voelt trekken. Hij
draait zich om en ziet Joram zitten.
'Hebt u wat
geld, alstublieft voor een arme stumper als ik?' vraagt de man.
'Petrus, kom eens hier!' roept Johannes.
Joram laat
zijn hoofd hangen. Hij kijkt naar beneden, want zijn rug doet erg pijn als hij
maar steeds omhoog moet kijken. Petrus ziet hem daar
zitten, een man van een jaar of veertig, helemaal kromgegroeid.
''t Is echt
een stumper.' denkt hij, 'Maar in Gods naam kunnen we
hem helpen...'
'Kijk me eens
aan, vriend.' zegt hij.
Joram denkt
dat hij geld krijgt. Zijn ogen gaan naar de handen van de discipelen en dan
naar Petrus' gezicht.
'Nee,' zegt Petrus, ''t Gaat nu even niet om geld. Dat hebben wij ook
niet. Maar in de naam van Jezus, ga lopen!'
Hij grijpt
Joram bij de hand en helpt hem overeind. Joram voelt zijn enkels stevig worden.
Hij staat op, wankelt even en... begint zowaar te lopen. Heel voorzichtig!
Het gaat
steeds beter. Hij maakt een sprongetje, nog één en nog één...
'Halleluja!'
Er komen
mensen om hen heen staan, steeds meer. Degenen die achteraan staan rekken zich
op de tenen om ook iets te zien. Kleine kinderen wringen zich tussen de benen
van de grote mensen door.
Als Moshe en Jacov horen dat hun
vriend genezen is, gaan ze natuurlijk snel op zoek naar hem. Ze vinden hem in
de Zuilengang van Salomo.
'Ik ben
genezen!' schreeuwt Joram
Hij huppelt en
springt om het hen te tonen.
'Hoe?' vragen
ze verbaasd.
'Dat hebben zij
gedaan!' wijst Joram.
Petrus schudt heftig van nee. Laten ze nou alsjeblieft niet
denken dat zij dat kunnen.
'Wij niet.
Jezus!' verklaart hij lachend.
Dit wordt de
kans van de week om over de Heer te vertellen. Over zijn dood en opstanding uit
de dood. Over het plan van God met de wereld. Hier en daar klinkt boos
gemompel. Dat komt vooral van de wetgeleerden. Die willen niet dat er zoveel
over Jezus wordt gesproken. Ze zouden het liefst die gehate discipelen in de
gevangenis zetten. Maar anderen luisteren aandachtig en gaan in Jezus geloven.
Het is al pikkedonker als Joram en zijn vrienden naar huis gaan.
'Wat een dag!' zegt Joram, 'Nooit hoef ik meer te bedelen buiten de
Tempel. Ik hoor er nu ook bij!'
'Joram!' Moshe slaat hem vriendschappelijk op de schouder, 'Man, jij
hebt vandaag echt mazzel gehad!'
Daar zijn ze het alledrie roerend mee eens.