NT22 - NIET VERDIEND, TOCH
GEKREGEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Wat zal ik
vandaag nou eens voor je voorlezen, Erik?' vraagt vader voor het slapen gaan. Erik weet het best.
'Van die grote
maaltijd, pap!'
Ja, dat verhaal
uit de Bijbel is Eriks lievelingsverhaal. Vooral die
plaat erbij vindt hij zo mooi. Een lange, schitterend gedekte tafel en allemaal
blije mensen in witte klederen, die bij de koning mogen dineren. Hij stelt zich
voor dat pappa erbij zit en hijzelf.
'Pappa,' vraagt hij nadenkend, 'U mag vast vlakbij de koning
zitten, want u bent dominee en u doet zoveel voor God, maar ik... Ik ben maar
een kind. Ik moet vast ver achteraan zitten.'
Pappa trekt
Erik dicht tegen zich aan en zegt: 'Welnee, malle jongen. Zo gaat het niet in
het koninkrijk van God. 'Vele laatsten zullen de
eersten zijn,' heeft Jezus gezegd. Weet je wat? Ik zal je het verhaal eens
voorlezen dat daarover gaat. Het heet 'De arbeiders in de wijngaard'.
'Hebben jullie
niks te doen?' vraagt de rijke boer aan een paar opgeschoten jongens op het
marktplein. 'Ik heb arbeiders nodig in mijn wijngaard. Kom je helpen?'
De jongens
kijken de boer verrast aan. O, gaaf, zeg! Ze mogen meedoen met het wijnfeest,
het binnenhalen van de druivenoogst. Eh... verdienen
ze nog wat?
'Natuurlijk,' zegt de boer, 'Ieder krijgt een schelling voor een dag
werken. Aan het eind mag je op het feest komen. De jongens kijken elkaar eens
aan. 'Top! We doen het.'
Al uit de
verte kun je het vrolijke gepraat horen van de andere arbeiders. Achter de lage
stenen muur zie je hier en daar tenten staan. Die zijn van lui, die zelfs
blijven kamperen tijdens de oogst. Moeders met kleine kinderen, meisjes,
grijsaards... Iedereen doet mee. De wachter op het torentje heeft hen al lang
gezien en zwaait hen vrolijk gedag. Al gauw zijn de nieuwelingen opgenomen in
de groep. Ze plukken druiven, sjouwen met volle manden, trappen onder vrolijk
gezang de druiven plat in de druivenpers. Het rode sap spat tot boven hun
knieën. Pot na pot en zak na zak wordt gevuld met zoete rode wijn. De rijke
boer loopt eens door zijn wijngaard. Hij regelt alles en maakt hier en daar een
praatje. Af en toe gaat zijn blik zorgelijk naar de lucht. Er is slecht weer op
komst. Vandaag moet de oogst zijn binnengehaald, anders...
Ja, de oogst
is zo groot en de arbeiders daarbij vergeleken weinig. Zouden er misschien nog
meer jongens op het plein staan, die kunnen helpen.
Negen uur 's
ochtends. Drinkpauze. Ja, de eerste drie uur zijn
omgevlogen. De sapkan vol met friszure wijn gaat van
mond tot mond. Brood en koeken worden rondgedeeld. Men roept elkaar plagerig
wat grappigs toe. En juist op dat moment verschijnt de Baas met nog een stel
mensen. Nieuwe arbeiders. Wat verlegen stappen ze binnen. Ja, de Baas heeft hen
op de markt opgepikt.
'Ik zal je
uitbetalen wat billijk is,' heeft hij hen beloofd.
En nu staan ze
hier. Zouden ze geaccepteerd worden door de groep? Natuurlijk. Iedereen die
zijn handen uit zijn mouwen kan steken is welkom. Al gauw lopen ze net te
sjouwen en te zingen als de rest.
'Had ik nog
maar meer arbeiders,' denkt de Baas maar steeds. Hij is nu al vier keer naar de
markt geweest. Zelfs nog om twaalf uur en om drie uur 's middags. Maar och, het
werk schiet niet erg op. Er zijn nog zoveel druiven te plukken en straks gaat
de zon onder. Zou hij nog maar even naar de markt gaan?
Ja hoor! Er
staan nog een paar jongens te nietsnutten.
'Hebben jullie
geen werk gevonden?' roept de boer verbaasd.
'Mensen, ik
zit om jullie te springen. Kom gauw mee. 't Is maar
voor een uurtje, maar ik zal je geven wat je toekomt.'
Een uurtje
later.
'Bemm! Bemm!
Het kleine omroepertje op zijn blote voeten slaat ijverig op zijn
metalen deksel.
'Bem! Bemmm! Stoppen! Tijd voor
uitbetaling! Bemm! Bemm!'
De mensen
strekken hun vermoeide ruggen. Ze bergen hun messen op, houden hun handen even
onder de waterstraal uit de kan van het waterdragertje en spoelen het zweet van hun gezicht.
Aan een laag
tafeltje zit de opzichter. Hij betaalt het loon uit op aanwijzing van de Baas.
De laatstaangekomenen zijn het
eerst aan de beurt. Een schelling krijgen ze. Die zijn er dik tevreden mee.
Maar ook de groep van drie uur, van twaalf uur, van negen uur en van zes uur 's
morgens krijgen een schelling.
Wat is dat nou?
Of je lang of kort werkte... elke arbeider krijgt een schelling uitbetaald. Dat
is vreemd. En ook niet eerlijk. De groep van zes uur 's morgens begint te
mopperen tegen de Baas.
'Die laatsten hebben maar één uur gewerkt en u hebt hen
hetzelfde gegeven als ons. Wij, die ons de hele dag in het zweet hebben
gewerkt.'
De Baas zegt
echter nuchter: 'Zijn jullie wat te kort gekomen? Waarom mopper je? Worden
jullie soms boos als ik gul ben? Ik wil de laatsten
hetzelfde geven als jullie. Nou èn? 't Is toch mijn eigen geld? Ga nu maar gauw naar het feest
anders mis je dat ook nog.'
Het verhaal is
uit. Vader doet de kinderbijbel dicht. Slaapt Erik? Nee. Hij denkt. Ineens doet
hij zijn ogen weer open, haalt z'n duim uit de mond en
zegt: 'Als ik groot ben ga ik ook voor de Heer Jezus werken, pap, net als u.
Dan word ik ook dominee. Want ik vind de Heer Jezus erg lief.'
'Trouwens,'
voegt hij er slim aan toe, 'Het maakt niks uit waar je
aan die tafel zit, als je er maar bij bent, hè pap?'
En zo is het
maar net.
Pappa is het
er roerend mee eens.