NT21 - JEZUS IS DE GOEDE HERDER
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Van je één,
twee, drie, hup!'
O, kijk nou
eens! Zie je dat? Er wordt een man zomaar uit de synagoge gegooid. Met een smak
komt hij tegen een afbrokkelend muurtje terecht. Au, au! Wat doet dat pijn. Vanachter de met sierlijke hekjes bedekte ramen
grijzen lachende gezichten hem na. O, maar dat zijn deftige mannen, Farizeeën.
Waarom doen die zo gemeen? Zij moeten toch beter weten als leiders van het
volk? Zij kennen toch de wet en de profetenboeken?
Aan het eind
van de straat komt een groepje mensen aanlopen. Zij zien wat er gebeurt. Zij
zien dat een arme man, Mattias, over zijn pijnlijke
arm wrijft en zijn geschaafde been bekijkt. Eén van hen, een vriendelijke man
in een wit overkleed, pakt hem bij de arm, praat met hem en helpt hem weer
omhoog. Het is Jezus, die eerder die dag deze blindgeboren man genas van zijn
blindheid.
Vanachter de
raampjes roepen de Farizeeën: 'Eigen schuld. Dat gebeurt er nou met lui, die
geloven in een zogenaamde Messias uit Nazaret, die op
Sabbat mensen geneest!'
Jezus kijkt
naar de bedelaar en dan naar de Farizeeën. O, wat is Hij boos op ze. Zijn dat
nou goede leiders? In plaats van blij te zijn met zijn genezing, behandelen ze
hem zo.
'Houdt de
dief! Houdt de dief!'
Plotseling
komt er door de poort aan het eind van de straat een magere, vuile jongeman,
die rent voor zijn leven. Een boer zit achter hem aan met een flinke stok.
Iedereen kan zo wel zien dat hij die watervlugge jongen nooit inhaalt. Hijgend
en puffend blijft de boer dan ook maar staan om verontwaardigd zijn verhaal te
doen.
'Vannacht... hhh... is die vuile dief over de muur van onze schaapskooi
geklommen. Hij heeft een schaap gestolen en opgegeten, precies op het moment
dat ik even naar huis was om wat eten te halen... hh...
Ja, ik ken hem wel, vroeger was hij één van mijn herders, maar hij heeft geen
hart voor de beesten. Als er een wolf komt, doet hij het zowat in zijn
broek...'
De omstanders
lachen. Ze vinden het stom van de boer om zijn schapen alleen achter te laten.
Hij had bij hen moeten blijven, dan was dit niet gebeurd.
Jezus en zijn discipelen lopen door in de richting van de
Olijfberg. Ze praten nog wat na over de dingen die gebeurd zijn. Vooral wat er
met Mattias gebeurd is, zit hen dwars.
'Hoort eens,
vrienden,' zegt Jezus ernstig, 'Die leiders van het
volk, zogenaamde profeten en bazen van het volk, zijn net zoals die dief.
Slechte herders zou je kunnen zeggen. Zij hebben geen hart voor de mensen. IK
BEN DE GOEDE HERDER. Ik laat Mijn schapen niet alleen. Ik ga in de ingang van
de schaapskooi zitten en ik waak over hen. IK BEN DE DEUR VAN DE SCHAAPSKOOI,
bij wijze van spreken. Elke rover die de schapen kwaad wil doen, krijgt met mij
te maken.'
'Wat bedoelt
de Meester toch, Johannes?' vraagt Andreas aan
Johannes, die dicht naast Jezus loopt.
'Het gaat over
ons, geloof ik.' fluistert die terug. 'Wij zijn die schapen,...'
'Mijn schapen
kennen Mijn stem.' gaat Jezus verder, 'Als Ik ze roep,
volgen ze Mij. Ik ben gekomen om hen leven in overvloed te geven en... Ik zet
mijn leven in voor de schapen.'
Johannes
luistert heel scherp toe. Hij vindt het schitterend wat Jezus nu zegt. Wat een
veilig idee, dat Jezus goed zorgt voor zijn volgelingen...'
Andreas denkt terug aan iets wat hij gezien heeft toen hij nog
maar een kleine jongen was.
Met een paar
vriendjes was hij een eind gaan lopen, toen ze over
een heuvel gekomen, een kudde schapen zagen, die aangevallen werden door een
wolf. Na de beesten de stuipen op het lijf gejaagd te hebben, greep hij tenslotte een lam. Door het geschreeuw van de jongens was de
herder in actie gekomen. Hij rende moedig op de wolf af, greep hem met zijn
blote handen en wurgde hem bijna. Het lam was gered, maar de herder flink
gewond.
'Hé, Andreas.'
Johannes trekt
zijn vriend aan z'n jas. 'Waar zit jij met je
gedachten? Kijk, we gaan hier even in het gras zitten.'
Andreas lacht om zichzelf. Daar zou hij toch bijna alleen
doorgelopen zijn. Er zijn al weer meer mensen om Jezus heen komen staan. Een Syrisch vrouwtje met twee kinderen is zelfs naast hem gaan
zitten. Eén van die kinderen kruipt gewoon op Jezus' schoot.
Jezus vindt
het leuk. Hij knuffelt het kind en zegt: 'Dit is een schaapje dat niet is uit
de stal van Israël. Zo zien jullie maar. Ik heb nog meer schapen onder andere volken.
Die moeten er ook bijkomen. Ze zullen mijn stem horen en dan zal het worden:
één kudde en één herder.'
Een paar mensen die bevriend zijn met de Farizeeën, kijken elkaar
veelbetekenend aan. Ze smoezen achter hun hand.
'Wat een
onzin! Alleen Israël is het volk van God.'
'Ach!' zegt een sjiek geklede wetgeleerde, die is meegelopen,
half hardop, 'Die man is gek. Waarom luister je nog langer naar Hem? Er zitten allemaal rare gedachten in zijn kop!'
'O ja?' antwoordt een jonge vrouw kwaad: 'En die wonderen en
tekenen dan die Hij doet? Als je gek bent kun je toch niet iemand van blindheid
genezen?'
Jezus heeft alles wel gehoord. Hij trekt er zich niks van
aan. Vastbesloten staat hij op om terug te gaan naar de tempel. Hij geeft het
niet op, ook al wordt de tegenstand van de Farizeeën steeds zwaarder. Ook al
loopt zijn leven gevaar.
'De Hemelse
Vader houdt van Mij,' besluit Hij, 'Omdat Ik Mijn
leven voor Mijn schapen over heb. Niemand kan Mij doden. Als Ik sterf is dat
vrijwillig. En als Ik daarna weer ga leven dan is dat omdat de Vader het wil.'
Die nacht
slaapt Mattias waar Jezus slaapt en voortaan eet hij
waar Jezus eet. Nooit is hij meer bij hem weggegaan, want deze blindgeborene
had ontdekt wie de echte leider van God was: De Goede Herder Jezus!