NT06 - JEZUS KRIJGT TWAALF LEERLINGEN
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Ik wil bij
Jezus horen.'
Johannes, een
slanke jongeman met donkere ogen, keert zich naar zijn vriend Andreas. Hij geeft hem een por tegen zijn schouders en begint
te hollen. 'Kom op, Andreas. Wat sta je daar nou
nog?'
Ja, Johannes
en Andreas hebben zo juist een geweldige ontdekking
gedaan. Dat waarvan ze droomden is werkelijkheid geworden. DE MESSIAS IS
GEKOMEN.
Het was
begonnen met verhalen van buren en kennissen over een man die predikte bij de
oversteekplaats van de Jordaan. Hij werd Johannes de Doper genoemd, omdat hij
mensen doopte. Johannes en Andreas gingen kijken. Ze
waren benieuwd wat voor een type het zou zijn. Nou, een vreemde was het zeker
met zijn wilde haar en zijn jas van kamelenbont. Maar de woorden die hij
sprak... Ongelooflijk!
'Kom op, loop
een beetje door, joh! Straks zijn we Hem kwijt.' roept Johannes ongeduldig. Hij
kijkt naar Jezus die een eind voor hen uitloopt en dan weer naar Andreas, die met grote stappen aan komt zetten. Zijn lange
jas fladdert om zijn benen.
Naar die
geweldige boodschap van de Doper kwamen veel mensen luisteren. Johannes en Andreas bleven bij hem om zoveel mogelijk te leren. Totdat
Johannes een man had aangewezen die veel en veel belangrijker was dan hijzelf.
'Toen ik Hem
doopte kwam de Geest als een duif op Hem neer en ik hoorde een stem zeggen:
'Dit is mijn lieve zoon, luistert naar Hem! Hij is de Beloofde van God!'
Johannes en Andreas waren hierover zo opgewonden dat ze er haast niet
van konden slapen. Stel je voor: DE MESSIAS!
'Kijk, het Lam
van God!'
Het was een
paar weken later. Johannes en Andreas zaten in de
schaduw van een struik met hun voeten in het water te luisteren naar de Doper. Hij
was aan het discussiëren met een paar Farizeeën juist toen Jezus langs liep. Meteen
stopte Johannes met zijn lessen en wees met z’n vinger
naar Jezus. Iedereen begreep gelijk wat hij bedoelde. Ze waren immers joden! Hoe
vaak hadden Johannes en Andreas niet geofferd in de tempel.
Als je een lam offerde, werden je zonden vergeven en het lam werd voor jou in
de plaats gedood. Dus die aangewezen man, moest wel de Messias zijn. Als dat zo
was, dan was Jezus belangrijker dan Johannes! Snel pakten ze dus hun spullen en
gingen achter Jezus aan.
'Rabbi!
Rabbi!' hijgt Johannes. Hij trekt Andreas, die zijn
sandaal bijna verliest, aan zijn arm, terwijl hij hem aanspoort: 'Kom nou mee!' Jezus kijkt
om. Gelukkig. Hij ziet hen.
'Rabbi,' stuntelt Johannes, ja, wat moet hij nou eigenlijk zeggen. Hij
wordt er verlegen van. 'Eh... waar woont U?'
Hij krijgt
meteen een rooie biet. Is het niet brutaal om zomaar
te vragen of ze bij Jezus thuis mogen komen? Ze zijn toch geen vrienden of zo?
Maar Jezus begrijpt hun bedoeling. Uitnodigend houdt Hij de deur open.
'Kom binnen,
dan kun je het zelf zien,' lacht Hij.
Jaren later,
als Johannes dit verhaal opschrijft, herinnert hij zich zelfs nog hoe laat het
was.
'Het was om
tien uur.' schrijft hij. 'En Andreas en ik bleven de hele dag bij Jezus.'
De ochtend
daarop loopt Andreas over het zandpad langs de
rivier. De straffe wind blaast zijn kleren naar achteren. O, hij voelt zich zo
blij na die ontmoeting met Jezus. Zijn voeten willen wel een dansje maken...
Oeps! Daar botst hij bijna tegen iemand op, die uit de tegenovergestelde
richting komt.
'Hé! Andreas!' roept die persoon. Het is Simon, zijn eigen
broer. Wat toevallig.
Andreas, vol van wat hij heeft beleefd, barst los: 'O, Simon,
wij hebben de Messias gevonden. Ja echt! Zal ik je bij Hem brengen?'
Even later
staan ze voor Jezus.
'Meester, dit
is mijn broer...'
Meer hoeft Andreas niet te zeggen. Jezus weet alles al.
'Jij bent
Simon, de zoon van Johannes en je zult Petrus genoemd
worden.' glimlacht hij. Simons mond valt open van verbazing. Noemt Jezus hem Petrus, steenrots? Terwijl hij eigenlijk vaak zo'n slappeling voelt... Hij kijkt zijn broer eens aan.
'Je blijft
toch, hè?' vraagt die alleen maar.
Tuurlijk blijft Petrus bij Jezus.
Ze lachen en
kletsen samen heel wat af, die Johannes, Andreas en Petrus, terwijl ze met z'n vieren
verder trekken. Wat gaan ze meemaken? Grote dingen. Dat is zeker. Ze zullen
Jezus' wijze woorden horen en alle wonderen zien, die Hij gaat doen. Maar
allereerst krijgen ze er nog een paar vrienden bij. Al gelijk de volgende dag. Hoor maar.
'Volg Mij!'
zegt Jezus tegen Filippus, een stadgenoot van Petrus en Andreas. Die zit juist
op een bankje voor z'n huis uit een boekrol te lezen
als Jezus en zijn volgelingen langslopen. Slechts een paar woorden van Jezus
zijn nodig om Filippus te overtuigen dat Hij de
Messias is. Meteen gaat hij zijn vriend Natanaël
erbij halen, die op zijn erf onder een vijgeboom zit
te bidden.
'Wij hebben de
Messias gevonden, Jezus uit Nazaret,' roept hij uit. Natanaël kan het eerst niet geloven. Uit Nazaret? Kan daar iets goeds vandaan komen? Maar hij gaat
toch mee. Jezus ziet hem druk gebarend aankomen.
'Daar komt een
Israëliet die niemand bedriegt,' zegt Hij.
'Wie, ik?'
roept Natanaël verbaasd uit. 'Kent U mij dan?'
Ja, Jezus zag
hem al onder de vijgeboom zitten voordat Filippus hem ging roepen. Hij wist ook wat Natanaël daar deed.
'Rabbi' roept
deze uit, 'U bent echt de Zoon van God, de koning van Israël.'
De anderen
knikken instemmend.
'Geloof je
mij, omdat Ik je daar zag zitten?' lacht Jezus?
'Je zult nog
grotere dingen zien, hoor!'
Johannes, Andreas en Petrus zijn blij met
hun nieuwe vrienden. En ook met Tomas, twee Jakobus'sen,
Matteüs, nog een Simon en twee Judassen die er later
nog bijkomen. Samen met Jezus gaan ze het land doortrekken. En nooit hebben ze
er ook maar een klein beetje spijt van gehad.