Drie en Dribbeltje

 

Kijk, dit is Drie.

Hij is heus drie jaar. Zie je zijn wipneus? Hij heeft bruine ogen en krulletjeshaar.

Het broertje van drie noemen we Dribbeltje.

Hij is pas anderhalf.

Hij heeft een bol buikje en een beetje kromme beentjes.

Hij lacht altijd zo ondeugend.

Van deze twee grappige broertjes zal ik je eens wat vertellen.

 

Drie en Dribbeltje wonen in een flat.

Een gewone flat in een gewone straat.

Een balkonnetje voor en een balkonnetje achter.

Een huiskamer, een slaapkamer en een keuken.

Maar er is ook een kamertje voor Drie en Dribbeltje.

Er staan twee lage bedden.

Een bed met een rode deken en een bed met een blauwe deken.

Onder de rode deken ligt een bruin krullenbolletje en onder de blauwe een kopje met blond piekhaar.

Er hangen grappige tekeningen aan de muur.

Die heeft moeder getekend. Er hangen een paar kaarten met gekke apen. Die heeft een vriendje in de vakantie gestuurd.

Er hangt een platte pop met vlechten.

Daar kunnen de pyjama's in.

Voor het slapen gaan zingt moeder een lied met Drie en Dribbeltje.

Ik ga slapen ik ben moe...

Welterusten Drie en Dribbeltje.

Slaap lekker!

 

Drie en Dribbeltje gaan wandelen

 

Kom, zegt moeder, zullen we gaan wandelen?

Hai, zegt Drib.

Hoi! roept Drie.

Drib kijkt verbaasd naar Drie. Dan gaat hij zijn jasje pakken. Hij sleept het aan een mouw over de grond achter zich aan.

Moeder kleedt de bengels aan.

Zelf trekt ze ook haar jas aan.

Daar gaat het stel.

Eerst houden ze moeders hand vast.

Ze lopen heel netjes en heel rustig.

Maar dan wil Drib hollen. Zijn kleine kromme beentjes gaan raprap over de keien, totdat hij struikelt.

Hij valt niet languit, nee. Hij staat op handen en voeten.

Zo loopt hij een paar stappen.

Dat is een grappig gezicht.

Als hij moe wordt gaat hij maar weer gewoon lopen.

Drie heeft intussen een piano gevonden.

Geen echte. Er is een kozijn met allemaal tegeltjes als een piano.

Ping, ping, zegt hij.

Hij slaat met zijn vingers op deze en dan weer op die steen.

Drib neemt het volgende kozijn.

Pin, pin.

Kom, jongens, doorlopen, zegt moeder.

Zo komen we nooit bij oma.

Ze pakt Drie met haar linker- en Dribbeltje met haar rechterhand.

 

Drie en Dribbeltje 's morgens vroeg.

Pst!

Psst!!

Hé, Dribbeltje, wordt eens wakker.

Drie staat naast Dribs bed. Hij schudt hem flink door elkaar.

Nai! zegt Drib kwaad.

Hij gaat op zijn buik liggen.

Slapen, Drie, roept moeder.

Drie vliegt zijn bed weer in.

Hij kruipt diep onder de rode deken.

Een krul piept er bovenuit.

Pft! Wat is het warm onder de deken.

Hij zal er toch maar weer uitgaan.

Hij trapt met zijn benen de deken weg.

Wat zal hij nu eens gaan doen?

Drie mag er niet uit. De klok wijst een heel vroeg uur aan. Maar Drie heeft geen slaap meer.

De vogeltjes zijn ook al wakker.

Ze tsilpen zo vrolijk.

Piep! zegt Drie zacht.

En dan wat harder: piep!

Stil, zegt moeder weer.

Bah, Drie mag niks.

Wacht, daar ligt een klein autootje.

Het is zo klein dat het wel in een lucifersdoosje kan. Zachtjes rijdt hij ermee over de rand van het bed.

Het is een vuilnisautootje.

Eigenlijk moet er vuil in.

Drie kijkt het kamertje eens rond.

Naast zijn bed zit het behang een beetje los. Drie peutert eraan en trekt.

Rtt!

Een stukje behang laat los. Drie trekt het los en rolt het tussen zijn vingers. Meer en meer behang verdwijnt in de vuilnisauto.

O,o, wat zal moeder straks brommen.