Afpakken

 

 

Er ligt een autootje op tafel, een eenzaam autootje.

David heeft het terzijde geschoven. Hij heeft mooiere auto's om mee te spelen.

Een politieauto en een tractor.

Miep loopt er naar toe en laat het zachtjes heen en weer rijden.

Blijf af! Dat is mijn auto, gilt David kwaad.

Miep rent met het autootje weg.

Och, zegt oma, laat haar er maar even mee spelen.

Nee, huilt David, Miep mag niks van mij afpakken. Dat mag niet van de Heer Jezus. Dat heet plagen.

Oma gaat met Miep een puzzeltje maken. Na een tijdje is David uitgespeeld. Hij wil schaken.

Zullen we samen gaan schakelen, oma?

Dan ga ik alles van u afpakken. Uw prinsesje en uw koning.

Oma lacht.

Geen prinsesje, maar een koningin, zegt ze.

Eh... en ik dacht dat afpakken niet mocht?

Met een spelletje wel, vindt David.

Hij lacht naar zijn zusje en geeft haar het autootje.

Dat vindt de Heer Jezus vast heel fijn.