Vissen

 

 

Fanka en David hebben in de vakantie veel vissers gezien. Ze zaten aan de rand van een meertje.

Elke visser had een hengel, die ze met een grote boog ver uitwierpen.

Ze hadden ook een emmertje naast zich. Daar zaten soms vissen in.

Fanka en David vinden het leuk om naar te kijken. Vooral David is er niet bij weg te slaan.

Als ze weer thuis zijn wil hij overal vissen.

Mamma geeft hem een stok met een touwtje eraan. David vist vanaf de bank. De vloer is zogenaamd het water.

En de vissen dan?

Je mag mijn breivisjes wel hebben, zegt oma. Het zijn plastic visjes.

David vindt het toch niet echt genoeg. Er moet ook een worm aan mijn touwtje, zeurt hij.

Bah! zegt mamma. Zo'n vieze worm in mijn kamer? Je hebt trouwens niet eens een haakje.

Een haakje? roept Fanka boos. Ze komt met haar pop aanlopen.

Moeten de vissen daarin bijten? Dat is echt gemeen.

Een haakje in je mond doet echt pijn. Dat is gemeen.

Ja, zegt David. Een haakje doen wij niet, hè Fanka?

Want de visjes zijn lief. De Heer Jezus heeft ze gemaakt.

Kom maar hoor!

Samen gaan ze op de bank zitten vissen. Gewoon zonder haakje.