Grote
hond

Als Fieke uit
school komt moet ze altijd langs het huis van de boer.
Daar is een
grote herdershond en hij blaft zo kwaad.
Fieke is niet
bang van honden. Thuis hebben ze ook een hond. Hij heet Doeska. Het is een
echte lobbes.
Weet je wat
hij doet als je binnenkomt?
Hij jankt van
blijdschap. Zijn staart zwiept heen en weer, heen en weer.
In zijn bek
heeft hij een cadeau voor je.
Een plastic
schaaltje of iets anders. Wat hij maar kan vinden.
Maar de hond
van de boer is een kwaaie.
Je kunt het
aan zijn tanden zien.
Hij is vals.
Fieke vindt
het eng om langs die hond te gaan.
Maar 's
zondags op de zondagschool zegt de juf.
Als je bang
bent, mag je bidden tot Jezus.
Hij helpt je.
En gaat Fieke
dat doen?
Natuurlijk.
Als ze weer
langs de hond moet, bidt ze.
Heer Jezus
help mij alstublieft.
Raad eens wat
Fieke ook doet?
Ze neem
telkens een stukje worst mee voor de hond.
Dat vindt hij
lekker.
Na een tijdje
staat de hond al op Fieke te wachten. Hij kwispelt met zijn staart.
Weet je wat
dat betekent?
Wij zijn dikke
vrienden, hè, Fieke?