De puzzel
Constant, een jongen van elf, kon wel een duwtje in de rug
gebruiken wat betreft zijn aardrijkskundecijfer op school. Daarom kocht zijn
vader, op aanraden van de directeur, voor hem een puzzel van de wereld. Met
zo'n driehonderd stukjes was de puzzel best een flinke kluif voor Constant. Je
moest alle landen op hun plek leggen: Engeland, Zweden, Ethiopië, Australië en
Iran...
Vader hielp hem een beetje op weg, door uit te leggen dat Constant
eerst met de hoekjes en dan met de rechte kantstukjes moest beginnen.
'Zo,' dacht hij bij zichzelf, 'die is wel een poosje zoet, dan kan
ik lekker even naar mijn favoriete sportprogramma op tv kijken.'
Maar wie schetst zijn verbazing toen Conrad na een flink
kwartiertje al kwam melden dat hij de puzzel af had.
'Hoe kan dat nou,' vroeg vader. 'heeft iemand je soms geholpen?'
'Nee, hoor, pappa,' zei Conrad geheimzinnig, 'het was gewoon erg
makkelijk. Ik legde de puzzel eerst ondersteboven...'
'Ondersteboven?' vroeg vader, 'dat is toch nog moeilijker?'
'Nee, hoor.' lachte Conrad, 'want aan de achterkant staat het
gezicht van de Heer Jezus. Als het beeld van Jezus goed is, is ook de wereld
heel!'
Conrad had door de puzzel misschien niet veel inzicht in
aardrijkskunde gekregen, maar hij had zeker een tien verdiend voor
wereldbeschouwing.