Van spoken en kannibalen
Het is in het jaar 1822. John Hunt, een Engelse jongen
van tien, is een wanhoop voor zijn ouders. Wat zou die jongen kunnen worden
voor zijn beroep? Boer soms? Welnee, daarvoor is hij veel te tenger. John is
nogal bangig van aard. Hij is bang voor onweer en hard blaffende honden. Overal
denkt hij spoken te zien of toverheksen. Denk je dat hij over een stille weg
durft te lopen in het donker? Nee, daar moet hij niet aan denken. Toch vertrekt
hij zeventien jaar later als zendeling naar de Fidji eilanden, samen met zijn
jonge vrouw.
De inwoners van die eilanden zijn nota bene kannibalen.
Ze zijn gek op mensenvlees. Het Opperhoofd eet zelfs elke dag mensenvlees! Het
is toch niet te geloven dat dat juist John Hunt naar deze mensen toe durft te
gaan? Hij, die altijd zo bang was. Toch is dat zo. Hij heeft geleerd om met al
zijn angst naar Jezus te gaan. Die zal hem beschermen.
En dat is wel nodig ook. Vaak zijn John en Mary in
doodsgevaar. Eens werd hun huis omsingeld door een grote menigte wilden, die
bloedstollende kreten uitstootten. In het maanlicht zagen de Hunts hun
griezelig beschilderde gezichten, hun knotsen en strijdbijlen.
'O, God, help ons toch.' baden ze.
En God verhoorde hun gebed. Om de een of andere duistere
reden verdwenen de wilden vanzelf.
Honderdduizenden
Fidji-eilanders zijn christen geworden door die ene boerenzoon, die toch zo
vreselijk bang was als kind.