Veertjes, veertjes, veertjes
Tjip had op school het verhaal van Eva en de slang
gehoord. Toen hij tussen de middag aan tafel zat, zei hij: 'Mam, ik vind het
dom van Eva om van die vrucht te eten. Dat zou ik nooit gedaan hebben, hoor!'
Moeder glimlachte maar. Na het eten zei ze: 'Tjip, ik
moet straks boodschappen doen, dus ik ben er niet als je weer uit school komt.
Je moet je maar even alleen vermaken.'
Ze legde allerlei lekkers voor hem neer en ook een
briefje. 'Tjip, van alles mag je eten, maar blijf van die doos af die op tafel
staat. Tot straks, mamma.'
Tjip vond het niks erg, dat moeder er niet was. Hij
zette zijn favoriete tv-programma aan, at ondertussen een schaaltje chips en
dronk een groot glas limonade. Toen het programma afgelopen was keek hij eens
naar de doos.
'Wat zou er in zitten?' dacht hij. 'Misschien wel van
die grote bonbons. Mmm!'
Even kijken, heel voorzichtig. Hij tilde het deksel een
beetje op en ... help! Er zaten allemaal donsveertjes in. Die wipten er uit. De
wind, die door het openstaande raam naar binnen kwam, blies ze alle kanten uit.
Tjip probeerde ze te vangen en weer in de doos te stoppen, maar er vlogen er
steeds meer uit.
Zo vond moeder hem. Tjip zei beschaamd: 'Mam, nou ben ik
net zo dom geweest als Eva, hè?'
Moeder lachte alleen maar.
Ze was echt niet boos, want ... ze had dat doosje daar expres neergezet om Tjip
een lesje te leren.