Zijn beste vriend
Zo'n honderd jaar geleden ging het er streng toe op de
scholen. De meesters maakten wel eens gebruik van een stok of een karwats om
kinderen te straffen, die ondeugend waren. Op een dag kwam er ergens een nieuwe
meester op school. Hij stond voor een klas van wel tachtig of negentig boefjes,
onopgevoede schoftjes. Hoe zou hij daar ooit orde en regel in brengen?
'Jongens en meisjes,' zei hij. 'We gaan samen tien
regels opstellen, waaraan we ons moeten houden.'
In die tijd was het trouwens verplicht om schoolregels
duidelijk zichtbaar op te hangen.
De kinderen knikten. Samen stelden ze de straf vast voor
bepaalde overtredingen. Bij voorbeeld: een kwartier in de hoek staan als je
vecht op het schoolplein. Helemaal onderaan stond de ergste straf: tien
stokslagen voor iemand die steelt. De meester schreef die regels op het bord,
zodat iedereen ze kon lezen.
Of het nou hierdoor kwam of door het feit dat de meester
zo'n fijne vent was, er kwam steeds meer orde in de klas. Weinig straf werd er
uitgedeeld. Op een keer gebeurde er echter iets opzienbarends. Pieter, een
mager scharminkeltje, kon z'n aandacht niet bij de les houden, omdat zijn maag
zo knorde. Thuis kreeg hij veel te weinig te eten. Zijn ogen werden getrokken
naar het kastje van Herman, waar een pakje brood lag. Och, het water liep hem
in de mond. Hij verzon dan ook in de pauze een smoes om binnen te mogen
blijven. Stiekem pakte hij het brood en smikkelde het op.
Toen alle kinderen na de pauze weer op hun plaatsen
gingen zitten, klonk opeens de verontwaardigde stem van Herman: 'Meester! Ze
hebben m'n brood gestolen!'
't Werd gelijk doodstil. Wie zou dat gedaan hebben?
Meester had wel een vermoeden. Hij voelde Pieter eens
aan de tand en... huilend bekende deze.
'Waarom deed je dat, Pieter?' vroeg de meester zacht.
'Omdat ik zo'n vreselijke honger had,' snikte de jongen.
Ondanks zijn medelijden moest de meester de regels
toepassen. Die waren er nu eenmaal voor. Pieter moest z'n bloes uitdoen.
Ademloos keek de klas toe. Wat een mager ventje was het. Je kon z'n ribbetjes
tellen. Juist wilde de meester z'n stok opheffen, toen Herman opstond.
'Nee, meester,' riep hij schor, 'Geef die klappen maar
aan mij. Laat Pieter maar gaan. Ik kan er beter tegen.'
Zo kreeg Herman de klappen die Pieter verdiende. Pieter
is dit nooit vergeten. Hij bleef altijd Hermans beste vriend.