Wolven en spoken
Hansje kan
niet slapen.
Er zijn zoveel
schaduwen in de kamer.
Als er een
auto langskomt glijdt de schaduw over het gordijn en over de kast.
Br. Hansje
vindt het ineens eng.
Hij gaat
liggen denken.
In het
halfdonker ziet hij de buizen van de verwarming glanzen. Daar zou best eens een
spook door naar binnen kunnen komen
Zijn hart
bonst er van.
Hij stapt uit
bed en gaat naar de wc.
Op de terugweg
doet hij even de kamerdeur open.
Ik kan niet
slapen, mam.
Moeder kijkt
verbaasd op.
Hansje is
meestal erg lief.
Hij komt bijna
nooit uit bed.
Zou hij ziek
zijn?
Soms kan hij
niet slapen als er iets fijns op komst is.
Een verjaardag
of een schoolreisje.
Maar dat is nu
niet het geval.
Vooruit, naar
bed, zegt ze streng.
Je mag niet
uit bed komen.
Ze loopt mee
om hem weer in bed te leggen.
Ik moet steeds
aan die enge hand denken, bibbert Hansje.
Welke enge
hand?
Nou, Tjeerd en
ik waren aan het spelen bij het elektriciteitshuisje.
Toen zei
Henkie dat er een enge hand uitkwam.
Moeder stelt
hem gerust.
Er kan immers
niemand wonen in een elektriciteitshuisje.
Het is alleen
maar voor elektriciteit.
Maar Hansje is
niet tevreden.
Hij denkt dat
de buizen voor de verwarming naar dat huisje lopen.
Dan kan het
spook er doorheen.
Welnee, zegt
moeder. Zal ik voor je bidden?
Moeder bidt
dat de Heer Jezus hem wil beschermen.
Hansje bidt
ook.
Dankuwel, Here
Jezus, wolleve en spoke bestaan niet. Alleen de wereld bestaat, amen. bidt hij.
De volgende
dag gaat vader met hem kijken naar het huisje.
Nee. Er wonen
geen spoken in. Het is onbewoond.
Gelukkig maar.