Zegenen
Paul, is
regenen hetzelfde als zegenen? vraagt Hansje.
Paul kijkt op
van zijn boek.
Hij legt het
even terzijde.
Kom eens even
bij me zitten, Paprikaatje, zegt hij.
Waarom denk je
dat regenen en zegenen hetzelfde is?
Nou, Monica
zong: Het regent, het zegent de daken worden nat.
Ja, zegt Paul,
dat versje ken ik ook. Maar zegenen is toch wat anders.
Eh... even denken. Wat zeg je 's morgens als je
uit bed komt?
Hansje weet
het: Goeiemorge allemaal.
Goed. En wat
zeg je als iemand jarig is?
Mag ik een
snoepje? lacht Hans.
Nee, dat
bedoel ik niet. Dan zeg je toch gefeliciteerd?
Ja, dat is zo.
Paul legt uit
dat zegenen eigenlijk is, iemand blij maken met je woorden. Je wenst iemand
iets goeds toe. Een goede morgen bijvoorbeeld.
Daar moet
Hansje over nadenken.
Ze wensen hem
ook wel eens lelijke dingen toe.
Ze schelden
hem wel eens uit.
Hansje wordt
verdrietig als hij eraan denkt.
Hij laat zijn
hoofd tegen Paul zijn borst leunen.
Ze zeggen wel
eens stommeling tegen me.
Paul vertelt
wat stom eigenlijk is.
Wie stom is
kan niet praten.
Hij leest
Hansje voor uit de Kinderbijbel.
Daarin staat
het verhaal van priester Zacharias.
Hij had een
engel gezien.
Jullie krijgen
een zoontje, zei de engel.
Zacharias kon
het niet geloven.
Toen werd hij
stom. Hij kon niet meer aan zijn vrouw vertellen wat hij beleefd had.
Alles moest
hij opschrijven.
Later is het
weer over gegaaan. Dat was op de dag dat zijn zoontje een naam kreeg.
Dus stom is,
als je niet kunt praten.
Ik ben niet
stom, zegt Hansje.
Paul kietelt
hem.
Je bent een
lekker ventje, zegt hij.
Daar wordt
Hansje blij van.
Hij gaat de
tafel voor moeder dekken.
Voor het eten
bidt hij: Zegen mijn broer, Heer, dat hij geen lekke band krijgt als het
regent.