Koekjes
Hansje komt
thuis uit school.
Hij gooit zijn
jas zomaar op de grond in de gang.
Dan gaat hij
naar binnen.
Hé, de
koekjesdoos staat op tafel.
Hansje gaat op
een stoel zitten en kijkt naar de doos.
Hij zucht eens
diep,.
Moeder komt de
kamer binnen.
Ze vraagt:
Waarom heb je je jas neergesmeten, Hansje?
Jammer, ze
ziet helemaal niet dat hij zo'n koekjestrek heeft.
Hansje gaat
zijn jas ophangen.
Dat hoort zo.
Even later zit
hij weer bij de tafel te zuchten.
Moeder merkt
het nog niet.
Dan moet hij
maar iets anders verzinnen.
Wat is dit
toch een mooi doosje, zegt hij bewonderend.
Zijn vingers
glijden over de bobbeltjes en ribbeltjes van het doosje.
Nog steeds
kijkt moeder niet.
Hij opent het
dekseltje.
Die vormen van
die koekjes vind ik ook zo leuk.
Moeder draait
zich een beetje om.
Gauw klapt
Hansje het dekseltje weer dicht.
Hèhè,
eindelijk merkt ze het.
Wil je een
koekje?
Ja, ik zit er
al naar te verlangen.
Wat smaakt dat
allerverrukkelijkste koekje uit het allermooiste doosje toch lekker.
Als ik groot
ben, laat ik een koekjesboom in de tuin groeien, zegt hij.
Koekjes
groeien niet aan een boom, antwoordt moeder.
Straks ga ik
poffertjes bakken. Dan mag je me helpen.
Poffertjes
zijn eigenlijk ook een soort koekjes.
Hansje vindt
pannenkoeken ook lekker.
Weet je waarom
moeder altijd zulk lekker eten voor hem klaarmaakt?
Omdat ze van
hem houdt.
Moeders die
van de Heer Jezus houden zijn immers de liefste moeders van de wereld.