Coen kan fietsen

 

Hoera, Coen kan fietsen. Hij is er zo enthousiast over.

Zijn fiets moet zelfs in de kofferbak van de auto mee naar opa en oma.

“Oma, opa, kom eens kijken.”

Hij draait almaar achtjes op het kerkplein. Telkens weer en telkens weer. Opa heeft er plezier in.

Hij gaat wat pylonen neerzetten, waar Coen omheen moet rijden. Spannend hoor! Na een tijdje begint het te regenen.

“Oma, heb je soms een doekje voor mijn fiets. Als ik hem zo tegen de muur aanzet wordt hij nat van de regen” vraagt Coen.

Van oma mag de fiets wel in de gang staan. Want je moet zuinig zijn op je spullen.

 

Ook thuis in de straat rijdt Coen rondjes. Hij kan zelfs al naar de kerk rijden op zijn fiets!

Tegen iedereen die het horen wil, roept hij: “Ik kan al fietsen, kijk maar!”

Mamma zegt: “Je moet nog wel wat verkeersregels leren, Coen. Anders is het gevaarlijk.”

“Wat zouden dat voor regels zijn?” denkt Coen.

Femke weet het wel. Zij is al negen. Ze gaat al vaak op de fiets naar school.

 

Weet je wat er is gebeurd?

Mamma heeft een fiets gewonnen bij de supermarkt.

Een knalgroene met een paars mandje voorop en een heel lang zadel.

Zonder licht. De naam van de supermarkt staat er in grote letters op. Maar dat maakt niet uit.

“Op die fiets kan ik ook rijden, oma!” roept Femke, “Kijk maar.”

Ja hoor, ook al kan Femke niet zitten op die grote fiets, ze kan wel staande rijden.

En weet je hoe ze stopt? Ze springt er gewoon af.

Is dat niet gevaarlijk? Welnee, Femke is een flinke meid.