Jeremy was die ochtend
dolgelukkig. Zijn juf op school vertelde ditmaal geen sprookje, maar las voor
uit de kinderbijbel en nog wel zijn favoriete verhaal over Jona. Hij glimlachte
van oor tot oor. Na afloop vroeg zijn vriendje: “Juf, is dat verhaal echt
gebeurd?”
Juf lachte en zei: “Het is
een heel oud verhaal, verteld van vader op zoon. Het is nog ouder dan de
sprookjes van Grim.”
Jeremy sprong op en riep:
“En het is echt waar, want alles wat er in de bijbel staat is waar. Mijn vader
en moeder geloven dat ook! De bijbel is het woord van God.”
“Ga zitten, Jeremy,” zei de
juf, terwijl ze zich vervolgens tot de klas richtte: “Kinderen, ik zal het even
uitleggen. Bij Jeremy thuis zijn ze christelijk, daarom gelooft hij dat het
verhaal echt gebeurd is.”
“En dat is ook zo,” riep
Jeremy boos.
De juf haalde haar schouders
op en zei: “Jeremy, hoe kan een mens drie dagen en nachten overleven in de maag
van een vis, dan krijgt hij toch geen lucht meer?”
Daar waren de kinderen het
mee eens.
“Als de bijbel het zegt, is
het zo,” hield Jeremy koppig vol.
Hij voelde dat hij terrein
verloor. Met tranen in de ogen besloot hij dan ook: “Als ik later in de hemel
kom, zal ik aan Jona vragen hoe het kon.” en hij ging zitten.
Hierbij had de juffrouw het
moeten laten, maar ze wilde per se het laatste woord hebben.
“Als Jona is de hemel komt…”
De laatste slag was echter
toch voor Jeremy, want hij riep gevat: “Nou, als hij niet in de hemel is, maar
in de hel, dan kunt u het hem zelf vragen!”