De generaal en de papkeuken

 

'Nee!' riep de oude Chinese generaal. 'Ik wil niet eten.'

Zenuwachtig liepen zijn bedienden heen en weer. O, wat dom van hen. Ze wisten toch dat Chao nooit wilde eten voordat iemand van zijn huis een paar arme mensen eten en dekens had gegeven. Hoe konden ze toch zo vergeetachtig zijn. Gauw gingen ze op pad om hun fout nog goed te maken. Ja, de oude vorst was een goed mens, met veel liefde voor de armen.

 

Op een dag kwam één van zijn knechten opgewonden binnenrennen.

'Meester, er wordt wat voor de armen gedaan!'

De generaal was verrast. Werd er iets voor de armen gedaan? Dat moest hij eens met zijn eigen ogen zien.

'Laat mijn rijtuig voorrijden.' beval hij.

Vier mooi aangeklede bedienden begeleiden hem op zijn tocht naar de achterbuurten van Peking. En ja. Honderden kreupelen, blinden en zieken stonden geduldig in de rij voor een kom gerstepap, klaargemaakt door het Leger des Heils. Het Leger des Heils was nog maar pas in China komen werken.

'Wat fantastisch!' riep de generaal.  'Dat is hard nodig.'

Pasgeleden waren er namelijk nog vijfhonderd mensen op straat doodgevroren van de kou.

De leidster van het Leger des Heils, die kapitein werd genoemd, had zelf niet eens een warme jas aan. Zij had al haar geld uitgegeven aan voedsel voor de armen. De generaal aarzelde geen moment. Hij gaf haar zijn eigen warme jas. En weet je wat hij nog meer deed?

Hij kocht een stuk grond voor het Leger des Heils om een grotere papkeuken te bouwen. Bovendien gaf hij hun elk jaar een grote som gelds. Zo hielp deze ongelovige generaal mee met het werk van Jezus.