Een vriend van Hottentotten

 

'Meester,' vroeg eens een Hottentot aan Meneer Van der Kemp, een zendeling in Zuid-Afrika. 'De blanke boeren hier in de buurt zeggen dat God ons niet geschapen heeft. Hij houdt niet van ons. Ze vinden ons varkens en ossen.'

Van der Kemp was erg verontwaardigd. Hij legde zijn bruine vriend uit, dat Jezus de redder van alle mensen is, blank of zwart... De neger begreep het en ging getroost weer naar zijn dorp.

 

Van der Kemp deed heel veel voor zijn Hottentotvrienden. Hun oorspronkelijke naam was eigenlijk Kaffers. Op een keer wilde hij de kafferkoning Gaika een bezoek brengen in diens eigen hoofdkwartier. Maar kleine bendes bloeddorstige negers maakten het gebied onveilig. Toen de koning vernam dat Van der Kemp hem wilde spreken, zond hij hem zijn tabaksdoos als paspoort. Zo kwam Van der Kemp veilig in het hoofdkwartier.

 

Zijne majesteit droeg een pantervel en had zoals gebruikelijk zijn wangen en lippen knalrood geverfd. Op het laatste ogenblik had men Van der Kemp daar bijna nog doodgestoken, omdat de raadgevers van de koning vonden, dat hij een gehate blanke was. Net op tijd kon hij de tabaksdoos grijpen. De doos hoog boven zijn hoofd houdend, riep hij: 'Ik ben een vriend. Ik heb jullie lief!'

 

En dat was ook zo. Deze moedige knecht van God heeft voor de Hottentotten een dorp gesticht. Betelsdorp, waar 1150 mensen een woonplaats vonden. De Hollandse regering, die toen de baas was in Zuid-Afrika, weigerde toe te staan dat er op school schrijven geleerd zou worden. Ze waren bang dat de Hottentotten zich te belangrijk zouden gaan voelen.

 

Er is in Zuid-Afrika veel rassenstrijd geweest. Gelukkig is die nu over. Er is heel veel pijn geleden. Had men destijds maar naar Van der Kemp geluisterd, dan waren er niet zoveel doden gevallen. Want bij de Heer zijn wij allemaal gelijk, bruin of blank. Het doet er niet toe.