De twee broers

 

Er waren eens, zo vertelt een oud joods verhaal, twee broers. De ene broer was ongetrouwd en de andere had een vrouw en een paar kinderen. Deze twee broers hadden samen een stuk land. Ze werkten er beiden even hard op. Toen de oogsttijd was aangebroken, maaiden ze gezamenlijk het graan en zetten dat in schoven gebonden neer. Op elke helft van het land plaatsten ze evenveel schoven. Toen gingen ze naar huis om uit te rusten.

 

Maar midden in de nacht werd de ongetrouwde broer met een schok wakker. 'O, wat ben ik egoïstisch geweest,' dacht hij. 'Mijn broer moet voor een vrouw en kinderen zorgen en ik ben maar alleen. Hij moet dus meer koren hebben dan ik.'

Vlug schoot hij in z'n kleren en ging naar het veld. Hij sjouwde drie schoven van zijn gedeelte weer naar het veld van z'n broer en ging weer tevreden naar huis om verder te slapen. Maar ook die broer werd wakker. 'Wat is er nou toch met mij aan de hand?' dacht hij. 'Die arme broer van mij heeft geen kinderen. Hij moet dus sparen voor later. Dan heeft hij een groter portie graan nodig dan ik.'

Hij kleedde zich ook aan en ging drie schoven van zijn oogst naar de voorraad van zijn broer brengen. De volgende dag zagen ze tot hun verbazing, dat ieders deel hetzelfde was gebleven. Ze zeiden niets, maar gingen die nacht weer aan het versjouwen. Dat deden ze drie nachten achter elkaar. Toen kwamen ze elkaar tegen.

 

Eindelijk snapten ze hoe het kwam dat ze steeds maar weer evenveel schoven hadden. Lachend vielen ze elkaar in de armen.