In de oorlog
van 1967 werd Jeruzalem weer tot een stad verenigd. Onlangs werd een Arabische
vrouw in Israël weduwe. Zij had in een deel van Jeruzalem gewoond tot 1948 en
wilde eens gaan kijken bij haar vroegere woning. Na enig zoeken vond ze het
huis. Ze klopte op de deur en een vrouw deed open. Zij was een Joodse en ook
weduwe. De Arabische vrouw legde het doel van haar komst uit en werd
uitgenodigd om binnen te komen. Samen dronken de twee vrouwen koffie.. De
Arabische vertelde dat ze enige kostbaarheden in het huis had verborgen, die er
vermoedelijk nog steeds zouden zijn. Ze stelde voor op zoek te gaan en de
waarde ervan samen met de Joodse te delen. De Joodse vrouw weigerde. “Als het
uw eigendom is dan behoort het helemaal aan u,” zei ze pertinent. Na veel discussie erover
zochten ze de vermoedelijke plek onder de vloer van de badkamer en vonden een
schat aan kostbaarheden. Na overleg met de overheid kreeg de Joodse toestemming
alles over te dragen aan de Arabische vrouw.
Ze ontmoeten elkaar nu
regelmatig en raken zeer goed bevriend. Op een dag vertelde de Arabische vrouw:
“Weet je, in 1948 werd hier geweldig gevochten. We waren zo bang dat we
overhaast zijn weggevlucht om ons leven te redden. We grepen rondom ons naar
enige bezittingen, namen de kinderen op en in de verwarring van het
oorlogsgeweld rondom vluchtten mijn man en ik ieder een kant op. Ons jongste
kind was een jongetje van drie maanden. Ik dacht dat mijn man hem meegenomen
had, maar hij dacht dat ik hem bij me had. Toen we na enige tijd weer bij
elkaar waren in Oost-Jeruzalem drong het tot ons door dat we ons jongste kindje
in dat barre oorlogsgeweld verloren hadden. Ons verdriet was mateloos.”
De Joodse vrouw luisterde
ademloos en verbleekte bij het verhaal. Ze vroeg of ze de datum nog wist waarop
dit gebeurde. De Arabische wist de dag en het uur nauwkeurig. De Joodse zei:
”Mijn man was één van de soldaten die bij de inname van Jeruzalem was. Toen hij
één van de verlaten huizen binnenging vond hij een achtergelaten baby op de
vloer van het deels kapotgeschoten huis. Hij vroeg de autoriteiten of hij
voorlopig zijn intrek in het huis mocht nemen en de baby in ons gezin mocht
verzorgen. In alle verwarring na de oorlog was er toen geen andere oplossing en
het werd toegestaan.”
Juist op dat moment stapte er
een twintigjarige Israëlische soldaat in uniform de kamer binnen en de Joodse
vrouw brak in tranen uit. “Dit is uw zoon!” riep ze huilend uit.
De twee vrouwen werden
hartsvriendinnen. De Joodse weduwe vroeg op een dag aan de Arabische moeder:
“Kijk, we zijn beiden alleenwonende weduwen. Onze kinderen zijn opgegroeid. Dit
huis is de plaats van je geluk geweest. Je hebt er bovendien je zoon
teruggekregen of eigenlijk onze zoon. Waarom blijf je hier niet wonen?”
En zo hebben de twee vrouwen
besloten.
Bronvermelding: Het Zoeklicht