Thomas geloofde niet dat Jezus was opgestaan.
Hieronder staan zinnen vermeld, die je al of niet kunt
geloven.
Speel het ‘Ik geloof je niet spel.’
Zet de kinderen achter elkaar in twee groepen… Telkens als
het voorste kind een goed antwoord geeft, namelijk ‘Ik geloof je.’ of ‘Ik
geloof je niet.’ dan mag hij/zij achter aansluiten. Dan komt de volgende aan de
beurt. Welke groep heeft het eerst alle kinderen gehad? (Dan staat de nr. 1
weer vooraan de rij.).
Vragen:
1.
Petrus
was een visser. (goed)
2.
Matteüs
verzamelde vlinders. (fout)
3.
Filippus
wandelde op het water. (fout)
4.
Lazarus
werd uit de dood opgewekt. (goed)
5.
Judas
Iskariot heeft Jezus verraden (goed)
6.
Alle
Farizeeën haatten Jezus. (fout)
7.
Jezus
wilde niet gekust worden. (fout)
8.
Tijdens
het laatste avondmaal waste Jezus de voeten van de discipelen. (goed)
9.
Er
waren nog drie mannen die ook gekruisigd werden samen met Jezus. (fout)
10.
Jezus
riep aan het kruis: ‘Het is volbracht.’ (goed)
11.
Toen
Jezus stierf scheurde het kleed in de tempel doormidden. (goed)
12.
Petrus
bijnaam was: Brulboei! (fout)
13.
Vrouwen
hebben het eerst ontdekt dat Jezus was opgestaan. (goed)
14.
De
steen was van het graf gerold. (goed)
15.
Jezus
was een geest geworden na zijn opstanding. Hij kon niet meer eten. (fout)