Verhaal week 2Ongeveer tien minuten
Laat hen dan gaan
NT55 (geschreven door Josine de Jong )
Klikklak klikklak. Rinkedekinkel.
Door de donkere
straten van Jeruzalem marcheert een legertje tempelpolitie. Daar waar de maan
de straatjes binnendringt glimmen grijze helmen en
scherpe speerpunten. Licht, donker, licht donker. Zwaarden, fakkels, harnassen…
De slapende
bewoners van de stad op hun dunne matrassen horen het wel. Sommigen staan op en
gluren door een kiertje van de deur of vanachter een gordijn. Waar gaan die
soldaten naar toe?
Een gure
wind blaast door de steegjes en door de kieren van deuren en ramen. Rillend
kruipen de mensen weer onder hun dunne dekens. Dit belooft niet veel goeds.
Sommigen
weten wel waar de schoen wringt. Het is Pesachfeest en rabbi Jezus is in
Jeruzalem. De vele confrontaties tussen hem en de schriftgeleerden
worden dagelijks uitgebreid besproken in de werkplaatsen en huizen van de
mensen.
In een
olijvenboomgaard aan de overkant van de beek Kidron liggen negen mannen lekker
te slapen. Het zijn discipelen van Jezus. Ze hebben hun jassen strak om zich
heen getrokken en beschutting gezocht onder wat struikgewas. De olijfbomen
steken hun kromme kronkelige takken naar de hemel alsof ze hen willen
beschermen. Een enkeling draait zich onrustig om, mompelt wat in zijn slaap.
Maar kijk,
daar, een eindje verder zijn nog drie mannen, Petrus, Jakobus en Johannes. Ze
zitten met hun rug tegen een boom, hun handen gevouwen in gebed, hun ogen
gesloten. Bidden ze? Aan hun gebedsdoeken te zien wel, maar aan het knikkebollen kun je merken dat ze ingedut zijn. Maar dat mag
niet! Dit kan echt niet. Die discipelen zijn namelijk Jezus’ dekking in de rug.
Zijn gebedsdekking. Daarvoor zijn ze uitgezocht. Dat
heeft de meester hen gevraagd.
‘Bid met me
mee,’ zei hij. ‘Ik ga een eindje verderop met mijn Vader praten.’
Jezus voelt
zich onrustig en angstig. Hij weet wat hem te wachten staat. Gevangenneming,
marteling en tenslotte kruisiging. Er staat hem een
zware tijd te wachten. De discipelen zien hem wankelend weglopen. Ze weten niet
goed wat er aan de hand is. Jezus heeft het tijdens de
maaltijd wel over zijn lijden en sterven gehad, maar ze hadden er maar weinig
van begrepen.
‘O Vader,
als het mogelijk is…, ik ben doodsbang… Vader, laat het niet gebeuren.’
Jezus
ligt geknield op de harde grond. Zijn knieën en armen doen pijn, maar dat voelt
hij niet door de grote angst, die zijn hart samenknijpt. Ja echt!
Al die
verhalen die jij hebt gehoord over Jezus, die zieken beter maakt en die
iedereen het juiste antwoord kan geven… hij is ook mens. Hij heeft een lichaam,
dat pijn kan lijden. Hij heeft een ziel die keuzes moet maken net als wij.
Lijden of
vluchten. Dat is de vraag.
Er staan
belangrijke dingen op het spel. Als Jezus niet de redder van de wereld wordt,
dan is er niemand. Dan zijn we allemaal verloren.
Grote
zweetdruppels vallen langs Jezus’ kin op de grond, waar ze in het licht van de
maan rode bloeddruppels lijken…
‘Vader, o
Vader…ik wil wel, maar… ik voel me zo zwak. Alstublieft, hoeft het niet…!’
Eigenlijk,
als je het goed bekijkt, wordt hier een gevecht geleverd. Gaat Jezus voor zijn
eigen welzijn of zal hij de mensheid redden? Traag strijken de minuten voorbij.
Het lijkt
of heel de schepping de adem inhoudt.
Tenslotte
geeft Jezus zich over aan Gods wil, hoe moeilijk dat ook is.
De soldaten
zijn inmiddels door het hek de olijftuin binnen
gemarcheerd.
‘’ Hé, ho! Wat
is er aan de hand?’
De slapende
discipelen zijn meteen klaar wakker. Petrus, agressief mannetje, trekt zijn
zwaard om Jezus te redden. Hij hakt in het rond en slaat wams! het oor van een soldaat eraf. Gelukkig ziet Jezus de soldaat
niet als vijand. Hij geneest het oor en geeft Petrus een vermaning.
Dan richt
hij zich tot de officier.
‘Wie moeten
jullie eigenlijk hebben?’
‘Jezus van Nazaret!’ snauwt de officier.
‘Dat ben
ik!’ zegt Jezus, ‘Als jullie mij zoeken, laat mijn discipelen dan gaan.’
Wow! Stoer
zeg!
De woorden
blijven even hangen in de lucht en zweven dan naar de sterren en de verre
planeten. Ze zweven naar alle werelddelen, over alle heuvels en bergen, over
zee en land. Ook alle eeuwen door totdat zelfs jij ze kunt horen.
‘Neem mij
maar en laat hen gaan.’
Die nacht
horen de inwoners van Jeruzalem de soldaten weer langskomen.
De enkeling
die naar buiten kijkt ziet dat ze één arrestant meevoeren, iemand die geen kip
kwaad doet, maar die het opneemt voor zijn mensen.