Lezen
uit de bijbel week 2
Johannes 18
Nadat Jezus dit alles gezegd
had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek.
Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn
leerlingen.
2 Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus
was er vaak met zijn leerlingen samengekomen.
3 Judas ging ernaartoe, samen met een cohort
soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en
droegen fakkels en lantaarns.
4 Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken
jullie?’
5 Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’
‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond.
6 Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond.
7 Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden
ze: ‘Jezus uit Nazaret.’
8 ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen
dan gaan.’
9 Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken
had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’
Verklaring:
Daar liep hij een olijfgaard in
Ze sliepen dus buiten in een
boomgaard.
een cohort
een afdeling
Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren
Hieruit blijkt zijn
goddelijkheid. Als hij het dan precies wist, waarom vluchtte hij dan niet? Hij
wilde voor ons de strijd met de duivel aangaan.
‘Ik ben het,’
Dat is niet zomaar een
uitspraak. Eigenlijk zei hij: IK BEN en dat is de Godsnaam. (Jhwh, Jahweh of Jehova) Daarom vielen de soldaten dan ook
van schrik om. Je moet rekenen het was donker en ze waren erg bijgelovig. Als
ze dan ineens horen zeggen: Ik ben God, dan schrokken ze zich bijna dood.
Als jullie mij zoeken, laat
deze mensen dan gaan.’
Dit is wel bijna de
allermooiste zin uit de bijbel.
Jezus neemt het voor ons op. Hé,
dat moet je mij doen!