Verhaal week 1Ongeveer tien minuten
OT61 - Een doetje die een reus versloeg (1 Sam.17)
Geschreven door Josine
de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
‘Ach,
wat een schatje, wat een dotje!’
Er
staan twee moeders met buggy’s voor de school te praten. Ze kijken in elkaars
wagen en bewonderen de baby’s.
´Wat
lijkt hij op zijn vader, nee wacht… hij heeft de ogen van jou.´ zegt de één.
Ze
praten nog wat door over voeding, huilen in de nacht en tandjes krijgen. Tot de
school uitgaat…
Alle
kleine kinderen zijn schattig en lief. Maar waar komen dan toch al die gemene
wrede moordenaars vandaan? Al die vieze zwervers, pestkoppen, messentrekkers,
die trappen, slaan, schoppen, je uitlachen en sarren. Hoe worden ze zo? En
vooral: HOE LOOPT HET MET HEN AF? KRIJGEN ZE DE
HOOFDPRIJS IN HET LEVEN?
Dit
verhaal gaat over een boef en een dotje, want dotje komt van doetje en dat is
hetzelfde woord als … de naam van onze hoofdpersoon die toch echt geen doetje
was. Snap jij het, snap ik het. Nou, luister maar…
‘Ftuuuuu, Ftuuuhh’
Een scherp fluitsignaal doet de herdersjongen
David, de zoon van Isaï opkijken. Hij heeft net de
schaafwond van een drachtige ooi verzorgd. Zijn handen zijn nog vettig van de
olie.
‘Elchanan!’ roept hij blij, ‘Ben je weer terug van je reis? Ik heb je
echt gemist, joh!’
Elchanan,
een jongen van een jaar of zestien, ploft naast David in het gras.
‘David! Hoe istie??’
‘Voorzichtig, man, je zit bijna bovenop mijn
nieuwe harp.’ zegt David lachend, terwijl hij zijn zelfgemaakte
muziekinstrument en zijn mes in veiligheid brengt.
‘Mooie lammeren heeft die Dikke Bertha gekregen, zeg!’ stelt Elchanan
bewonderend vast. ‘Heb je nog beesten verloren?’
‘Nou, dat scheelde maar een haar, man. Hier, zie
je deze wond op mijn schouder? Verleden week was het goed raak. Een leeuw en de
dag erna een beer. Ik heb nog nooit zo hard gebeden… En God was me genadig. Ga
straks mee naar m’n huis, dan laat ik je de vachten
zien. Maar wat heb jij meegemaakt?’
‘Dat geloof je niet.’ antwoordt Elchanan peinzend. ‘Jij een leeuw en een beer… Zo’n beest
is groot hè, als hij op zijn achterpoten staat… Twee meter of zo?…’
‘Mmm!’
‘Die kerels die ik zag waren groter!’
“WAT???’
‘Daaf, ik heb reuzen gezien, nee serieus! Ze
waren minstens twee keer zo lang als ik. Mijn hart ging tekeer als een gek toen
ik hen voor het eerst zag. Ze wonen in de plaats Gat, daar moest mijn vader een
lading potten afleveren. Hun huizen zijn ook hartstikke
groot en hoog. De deuren? Tweekeer zo hoog als bij jou thuis. En hun bedden…’
‘Ach, maak mij wat wijs,’ lacht David ongelovig,
terwijl hij Elchanan een stomp tegen zijn schouders
geeft, ‘doe even normaal ja?’
Hij pakt zijn nieuwe harp en tokkelt er wat op.
‘Die ene, Goliat heet
hij, heeft zulke handen!’ wijst Elchanan, ‘En alles
is groot,… Zijn speer is zo dik als mijn arm en er zit
een punt van ijzer op van een pond ijzer. Bronzen helm, bronzen
schubbenpantser… Die andere heeft zes vingers aan elke hand en zes tenen aan
elke voet!!’
‘Zal wel! Lijkt me echt een patser.
Als die op je valt ben je meteen een platluis. Maar kan hij ook nog wat
spierballen laten zien?’
‘’k Zou er maar niet om lachen. Hij en zijn Filistijnse kameraden zijn getraind tot en met. Vanaf dat
ze konden lopen: elke dag vechtsporten, boksen, speerwerpen, zwaardvechten, you name it… Vet agressief, man. Je kunt ze beter uit de weg gaan.’
Davids mond zakt open van verbazing?
‘Serieus???’
‘Serieus, ik zweer het je man.’
‘Doet!! Let op je
schapen.’ roept iemand. David springt op en met een goedgerichte worp van een
steentje uit zijn slinger brengt hij een afdwalend schaap weer terug bij de
kudde. De zon schijnt op zijn rooie haren, zijn
blauwe ogen waar alle meiden verliefd op worden zijn hard als staal.
‘Vet cool, Elchanan…’ zegt hij, ‘Over die Goliatten en
hun aanhang wil ik meer horen! Vormen ze een gevaar voor Israël?’
‘Waar hebben jullie het over?’ vraagt Davids
neef Jonatan, die aan komt lopen. ‘Zijn er leeuwen en
beren op de weg?’
‘Erger!’ zegt David, ‘Moet je horen wat Elchanan vertelt….’
Het is een paar maanden later. De Filistijnen
bereiden zich voor op een oorlog met Israël. Nee, er is geen tv en er zijn geen
kranten, je kunt niet sms’en, maar het gerucht gaat als een lopend vuurtje door
het land. In Socho, in Juda hebben ze hun kamp
opgeslagen. Koning Saul roept in allerijl het leger
op in het Terebintendal ertegenover. Ook de broers
van David, Eliab, Abinadab
en Samma moeten er aan geloven.
Voor David betekent het veel heen en weer reizen
om zijn broers van eten te voorzien. Zo blijft hij op de hoogte van het wel en
wee van zijn broers en van het verloop van de strijd.
Op een keer staat hij met ze te praten als ze
ineens opgeroepen worden de linies te betrekken. Hij rent mee om te kijken wat
er aan de hand is. En dan… gelooft hij zijn ogen en oren niet. Daar komt me die
Goliat uit Gat naar voren. David herkent hem meteen
van de verhalen van Elchanan. Het is een boom van een
kerel en uit zijn grote mond met dikke vette lippen komt een stroom van
beledigingen. Een racist tot en met. Geloof me, hierbij is, wat je in een
stadion hoort schreeuwen, maar kinderspel. Die vent haat het volk van God… en
God zelf uiteraard ook! Het bloed stijgt David naar de kop. Dit is toch schoftig!! Wie maakt hier een eind
aan?
Als hij om zich heen kijkt ziet hij allemaal
vluchtende Israëlieten. Hij grijpt er een bij zijn arm.
‘Hé, wacht eens effe.
Hoor je wat ‘ie zei?’
De bange soldaat schreeuwt: ‘Hij wil ons
allemaal de grond in trappen!! Eén op één wil hij
vechten. Nou mij niet gezien…. Voor geen goud!!’ Hij
rukt zich los en kijkt angstig om.
‘Voor geen goud?’ informeert David die weer wat
gekalmeerd is.
‘Nee man, de koning heeft een paar miljoen
uitgeloofd voor degene die hem verslaat en ook nog de hand van zijn dochter.
Maar ik ben liever blo-Jan dan do-Jan.’
Robuust keert David zich af van deze bange
schijter. Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat
hij de gelederen van de levende God kan beschimpen? Zal hij dan zelf?…
Maar zijn broer Eliab,
die hem hoorde praten heeft hem door: ‘Hé, Doet, waar ben je mee bezig? Ga naar
je schapen terug, man! Echt iets voor jou om met je brutale neus vooraan te
willen staan als er gevochten wordt.’
Het is al te laat. Als een lopend vuurtje gaat
het door het legerkamp dat er iemand is die wel durft. De koning laat David bij
zich komen.
Een kwartier later en na veel over en weer
gepraat met de koning, staat David oog in oog met HET BEEST. Nee, hij heeft
geen zwaard in zijn hand. Hij heeft geen wapenrusting aan. Hij is op en top de
herder, die moedig een beer of een leeuw wegjaagt van zijn kudde. Alleen een
slinger en vijf steentjes gebruikt hij. En… zijn
woorden. O, wat lijkt David hier op Jezus! Geen zwaard, alleen de waarheid en
zijn woorden!!
Goliat
ziet David komen, een knappe tiener met rood haar. Hij verwachtte een
bodybuilder, de sterkste vent uit het leger van Israël… Dat ze een jong ventje
sturen vind hij een grove belediging. Dit is absurd! Hij vervloekt David bij al
zijn Goden.
Maar David schreeuwt dapper: ‘Jij daagt me uit
met zwaard, je lans en je kromzwaard, maar Ik daag je uit in de naam van de
Heer der Hemelse legermachten!…’
Eén steentje was maar nodig, om deze
angstaanjagende stampende en briesende DOODSMACHT te vernietigen, want, zoals
David later in een zelfgemaakt lied zingt: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is
uw naam op de ganse aarde.’
Goliat
valt, geraakt op juist die ene plek waar hij kwetsbaar is en David doodt hem
met zijn eigen zwaard.
Alle Filistijnen slaan op de vlucht en Israël
juicht! Wie had dit gedacht. David wordt op handen gedragen. Tot diep in de
nacht klinken de vreugdezangen op het discofeest. David heeft meteen een
fanclub en staat op de Top-Tien bovenaan. Maar met
zijn rechterhand wijst hij steeds naar boven, want het is God die de bevrijding
gaf. Ere wie ere toekomt.
Heb jij ook reuzengrote problemen? God kan
uitkomst geven en daarvoor gebruikt hij jongens en meisjes die op Hem
vertrouwen, doetjes. Eén steen was er slechts nodig: de steen die van het graf
werd gewenteld. Want Jezus overwon DE DOOD!