Ongeveer
15 minuten
Deze week kun je kiezen uit de volgende activiteiten:
* Spel: Dat moet je mij doen
Je kunt de
kaartjes op stevig papier plakken.
Schud alle
kaartjes door elkaar. Om de beurt mogen ze een kaartje pakken.
Als ze een A
kaartje krijgen leggen ze dat in een apart doosje of op een schaaltje. Dat
kaartje doet niet meer mee.
Als ze een C
kaartje pakken kunnen ze iemand helpen. Tot zolang leggen ze dat kaartje voor
zich op tafel.
Als ze een B
kaartje pakken hebben ze hulp nodig. Dit wordt als het kan meteen afgehandeld.
Ze vragen
wie hen wil helpen. Als er meer zijn die willen helpen mogen ze iemand
uitkiezen.
Iemand kan
alleen helpen als hij/zij een C kaartje heeft.
Degene
die heeft geholpen
legt het C kaartje op het A kaartje en bewaart het tot de puntentelling.
Het spel is
afgelopen als alle kaartjes op zijn.
Puntentelling:
Alle dubbele kaartjes krijgen punten. (dus een C kaartje dat op een A kaartje
ligt.)
De punten
staan achter de C. Bijv. C5 vijf punten.
Tel de
punten op en geef de winnaar een prijs.
Kaartjes voor het spel
‘Dat moet je mij doen.’
|
A We gaan op verjaarsvisite.
|
A We kijken naar een
voetbalwedstrijd.
|
A We doen tikkertje in de
pauze.
|
A We zijn met een groepje
vrienden.
|
A We sms-sen
elke avond met elkaar.
|
|
A We maken samen ons huiswerk.
|
A We passen op het konijn
van school.
|
A We spelen vaak bij elkaar.
|
A We wisselen pasfoto’s uit.
|
A We zitten in dezelfde kerk.
|
|
A We luisteren naar het bijbelverhaal.
|
A We zijn op schoolreis.
|
A Het is gezellig op het
kinderkamp.
|
A We doen samen spelletjes
op de computer.
|
A We zitten samen op
muziekles.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
B Help! Ik word bedreigd op mijn
gsm.
|
B Help! Ik wordt gestompt en
geslagen.
|
B Help Ik word geduwd.
|
B Help! Ze vertellen leugens over
mij.
|
B Help! Ze trekken mijn kleren
kapot
|
|
B Help! Ze laten me struikelen en
lachen me uit
|
B Help! Ze trekken aan mijn haar
|
B Help! Ze pakken mijn schooltas
af
|
B Help! Ze wachten me met z’n allen op
|
B Help! Ze roepen me na.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
C5 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer een bloedneus.
|
C5 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer een nat pak.
|
C5 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer een pak slaag.
|
C3 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer uitschelden.
|
C5 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer spuug in mijn
gezicht.
|
|
C1 Hé, dat moet je mij doen. Ik krijg een bedankje van
je ouders.
|
C1 Hé, dat moet je mij doen. Ik krijg een goede naam in
de klas.
|
C2 Hé, dat moet je mij doen. Ik krijg een goed gevoel
van binnen.
|
C3 Hé, dat moet je mij doen. Ik riskeer uitlachen.
|
C1 Hé, dat moet je mij doen. Als ik jou help krijg ik
een medaille.
|
|
|
|
|
|
|
* We kunnen
dit spel ook bespreken.
Wat heeft
Jezus geriskeerd voor ons?
Tegenwoordig
zijn er soms messen of wapens in het spel. Is het verstandig om dan voor iemand
in te springen? Wat kun je doen behalve weglopen?
Waarom
krijgen sommige C kaartjes een hogere puntenscore dan andere?
Wat zijn de
belemmeringen om het voor iemand op te nemen?
* Schrijf
een brief aan George, die door klasgenoten in elkaar geslagen is en vertel
hem waarom je hem niet hebt geholpen.