Verhaal week 4Ongeveer tien minuten
NT46 - Ik ben beter
dan jij
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Ze wonen in
hetzelfde dorp en zitten in dezelfde klas, Avram en Beria. Ze hebben dezelfde leraar, die ze rabbi Moshe noemen. Ze moeten dezelfde bijbelgedeeltes
overschrijven en uit hun hoofd leren op de sjoel.
Met het
puntje van hun tong tussen de lippen oefenen ze elke dag de moeilijke
Hebreeuwse letters op hun wasplankje, of soms op een potscherf en een heel
enkele keer op een afgeschrapt stukje perkament, de bijzondere letter Sjin bijvoorbeeld, de
eerste letter van Sjaddai, de Almachtige. Op de
gebedsdoosjes, die de mannen bij het bidden op hun hoofd en hand dragen, staat
deze letter ook, want op je voorhoofd moet staan aan wie je toebehoort.
Dan
heb je nog de Alef, de eerste letter van het alfabet.
Daarmee begint de bijbel, de Thora. De Alef staat natuurlijk voor God, Hij moet altijd de eerste
plaats innemen. Zacht
klinkt de stem van de rabbi, als hij een onwillige hand helpt om de letters
goed te schrijven.
Wie
klaar is gaat in een hoekje het volgende stukje uit Gods woord uit zijn hoofd
zitten leren, heen en weer wiegend, zoals de
schriftgeleerden doen in de tempel.
“Gelukkig wie de
volmaakte weg gaan en leven naar de wet van de Heer…” klinkt het.
Eigenlijk is het
heerlijk om op de sjoel te zitten. Ze boffen maar dat ze jongens zijn, want
meiden mogen niet naar school.
Avram en Beria
doen tegelijkertijd hun Bar Mitswa als ze twaalf
zijn. Dat is een groot feest. Dan ben je voor de wet eigenlijk een man. Je moet
dan in de synagoge laten zien dat je je lessen goed
geleerd hebt. Hele stukken uit de bijbel uit je hoofd
opzeggen. En na afloop geeft iedereen je cadeautjes.
Maar als ze ouder
worden gaan ze elk hun eigen weg.
Avram, die heel strenge ouders heeft, is elke week in de
synagoge te vinden. Hij wil God dienen met zijn hele verstand. Honderd procent.
Hij wil echt een tsaddik worden, een rechtvaardige,
dat is iemand die, zo denkt hij, geen enkele overtreding maakt, geen enkele
fout. Ja, Avram is heel streng voor zichzelf en ook
voor anderen. Hij luistert heel precies of er ergens nog een van de 613 wetten
is, die hij misschien nog niet kent. De spijswetten, wat je wel of niet mag
eten, de wetten over de sabbat…
Zou God blij zijn met Avram?
Beria’s ouders zijn hardwerkende mensen. Van dat de zon opgaat totdat hij
ondergaat zijn ze op het land aan het werk. Ze praten alleen maar over de
opbrengst van de oogst en of ze dit jaar in staat zullen zijn hun schulden af
te betalen.
“Vader,”
vraagt Beria op een dag, “is armoede een straf van
God op onze zonden?”
“Welnee,
mijn kind,”antwoordt vader verontwaardigd, “zo werkt
het niet! God is genadig. Hij straft ons niet naar onze zonden, hij vergeldt
ons niet naar onze schuld. Dat staat in de Psalmen. Dat heb je toch wel op
school geleerd? Hoe gaat het ook weer verder…”
Beria weet het wel. Hij vult aan: “Zo liefdevol als een vader is
voor zijn kinderen, zo liefdevol is de Heer voor wie hem vrezen.”
“Precies,”
glimlacht vader. “Je hebt niet voor niets in de klas gezeten bij rabbi Moshe.
Beria gaat naar buiten. Hij zoekt zijn vrienden op, blij dat er
een hemelse Vader is die hem niet afrekent op zijn verkeerde daden.
Zou God blij zijn met Beria?
De
jaren gaan voorbij. Beria ’s beide ouders zijn gestorven. Hij
heeft nu zelf een gezin en moet hard werken om in zijn levensonderhoud te
voorzien. Een paar jaar gaat het aardig goed, maar dan krijgt hij met de ene
narigheid na de andere te maken. Zijn vrouw en enige kind sterven aan een
dodelijke ziekte. Moedeloos geworden slijt hij zijn dagen in eenzaamheid. Waar
is God, die zo liefdevol is? Hij merkt er niks van.
Misschien bestaat hij wel niet.
Op
een dag lijkt het geluk hem toe te lachen. Een gouden kans biedt zich aan. Van
vrienden hoort hij dat de Romeinse overheid iemand zoekt als belastingophaler.
Hij stapt er op af en wordt aangenomen. Zo wordt Beria
een vijand van zijn eigen volk.
Met Avram gaat
het goed. Hij is een Farizeeër geworden, een Schriftgeleerde, die zelf ook weer
kinderen onderwijst. Hij heeft lange gebedskwasten aan zijn taliet, zijn
gebedssjaal. Twee keer per week vast hij. Hij geeft tien procent van zijn
inkomsten aan de armen. Zelfs van de komijnzaadjes geeft hij nog tien procent.
Op de hoeken van de straat blijft hij stilstaan om te bidden met zijn handen
omhoog en iedereen vindt hem een zeer heilige man.
“Kijk!” zeggen ze tegen hun kinderen, “daar staat Avram, de tsaddik. Hij is zo goed
en vroom… Hij doet absoluut geen zonden.”
Op een
dagen ontmoeten de twee elkaar weer.
Avram is op weg naar de tempel om de offerdienst mee te maken. En net
als hij wil gaan bidden met zijn sjaal om zijn hoofd en zijn handen in de
lucht… ziet hij zijn vroegere schoolkameraad Beria. Er gaat een schok van
walging door Avram heen. Beria,
die smeerlap? Wat doet die in de tempel? Die tollenaar en verrader. Geld
verdienen aan de armoede van zijn volk. Schande, schande!!
Avram knijpt zijn ogen dicht. Hij kwam hier immers om
te bidden.
“God,”
bidt hij, “U
die alles weet en ziet…U bent blij met mensen zoals ik en U haat mensen zoals
hij! Dank u wel dat ik niet ben als de andere mensen die roofzuchtig en onrechtvaardig zijn
of zoals die smerige tollenaar Beria. Ik vast twee
maal per week en ik draag de tiende van mijn inkomsten
af. Danku dat ik goed ben. Amen!” …
Bij
de ingang van de tempel ligt een klein hoopje mens. Beria
heeft God horen spreken in zijn hart. Hij heeft zo’n
berouw.
“Niet
naar binnen, Beria,” zegt
hij tegen zichzelf, “Je mag niet Gods heilige tempel binnengaan! Je bent in- en
inslecht!!”
Dikke
tranen rollen over zijn wangen. Hij heeft zo’n spijt…
God is zo heilig en hij heeft het helemaal verprutst. Hij richt zich wat op en
slaat diepbedroefd met zijn vuist op de borst.
“O
God, wees mij zondaar genadig.” …
Honderden
mensen lopen in en uit de tempel. Wie let er op die vreemde man bij de poort?
Zou God hem wel zien?
Jazeker. Jezus ziet hem. Hij
richt hem op en schenkt de zondaar genade. Later vertelt hij het verhaal aan
zijn volgelingen. We kunnen het vinden in Lucas 18.
En
weet je hoe Jezus over die twee oordeelde?
“De
tollenaar ging naar huis als een rechtvaardige in de ogen van God, maar de
Farizeeër niet. Want wie zichzelf verhoogt zal
vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.”
Vraag:
Als je rechtvaardig zou kunnen worden door goede werken te doen, zoals Avram, zou Jezus dan nog aan het kruis gegaan zijn? Waarom
denkt je dat?