Verhaal week 6Ongeveer tien minuten
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Er zijn
verschillende valkuilen waar een mensenkind in kan lopen.
1. Je hebt
de valkuil van: IK WIST HET NIET
Om daar
niet in terecht te komen heb je goede ouders en opvoeders nodig, want een kind
kan niet alles weten.
2. Er is
ook de valkuil van: IK VIND HET LEUK OM TE DOEN WAT NIET MAG.
Gelukkig
heb je dan nog mensen die je waarschuwen.
3. O ja, en
vergeet niet die grote valkuil van: ZE DOEN HET ALLEMAAL
Daarvan
zegt de bijbel: Je moet de meerderheid in het kwade
niet volgen.
Maar dit
verhaal gaat over een koning die uit angst in een valkuil sprong, waarvoor hij
andere mensen had gewaarschuwd. Het is… koning Saul.
Als jij nou goed oplet, dan weet je in ieder geval hoe het niet moet. Ik
waarschuw je van te voren. HET LOOPT FOUT AF!
Er is een
eeuwenoud liefelijk plaatsje in Israël. Er zijn palmbomen, citroenbomen,
liefelijke heuvels, beekjes, bergen. Wie het bezoekt komt helemaal tot rust. Er
heerst daar een sfeer… Het lijkt wel God je nieuwe kracht geeft. Daarom noemen
de mensen het Sunem, DUBBELE RUST wil dat zeggen. Er
werd zelfs een liedje over het dorpje geschreven. ‘Sunem,
o Sunem, jouw beek is vol water…’
Maar dat
liedje zingt momenteel niemand meer. Weet je waarom niet? De Filstijnen hebben Sunem namelijk
bezet. Het is oorlogsgebied geworden. Waar vrede heerste, gonst het nu van
buitenlanders, die paraderen met allerlei wapentuig.
De
Verenigde Filstijnse Beweging heeft grote troepen op de been gebracht om eens en voorgoed met Israël af te
rekenen. Het zijn echte terroristen. Is er dan niemand die hen wegjaagt? Koning
Saul misschien, die lange knappe koning van Israël?
Hij kan toch ook wel een flink leger op de been
zetten? Ja, dat doet hij ook. Kijk, daar staat hij op een heuveltop van het Gilboagebergte. Achter hem slaat zijn leger hun kamp op.
‘Het zijn
er wel heel erg veel, Heer Saul,’ zegt zijn adjudant
geschrokken bij het zien van al die vijandelijke legers.
‘….
Inderdaad,’ beaamt Saul onzeker. ‘Ik heb hier geen
goed gevoel over,…! Was Samuel nog maar in leven, dan
kon ik hem om raad vragen.’
‘Waarom raadpleegt uzelf de Here niet?’
vraagt een officier die erbij is komen staan.
‘Wat denk
je? Dat heb ik al lang gedaan. God heeft me verlaten en dat maakt me doodsbang.
Hij antwoordt me niet in een droom en ook niet door andere profeten.’ Saul probeert grip te houden op de situatie en dat lukt
niet. Daardoor wordt hij opstandig. Hij rukt zijn koninklijk hoofddeksel af en
smijt het woedend op de grond. ’t Is allemaal Gods
schuld, vindt hij. Als er ergens een hemeldeur was, dan zou hij nu echt zijn
vinger op de bel houden tot God wel open moest doen. Tring,
tring!! Groot alarm. Maar nu
moet hij alles zelf maar uitzoeken.
Ineens
krijgt Saul een ingeving. Niet lang geleden heeft hij
in een radicale bui alle waarzeggers het land uit laten zetten. Achteraf gezien
stom, vindt hij, want waarzeggers hebben een lijntje met boven. Ja, God
verbiedt spiritisme, het is een gruwel in zijn oog, maar dit is een
noodsituatie, toch? Misschien zijn ze er één vergeten.
‘Zeg, eh… mannen, weten jullie of…’ zijn stem wordt een zacht
gefluister…
Het is
donker in de legertent van Saul, er brandt alleen
maar een kleine olielamp.
‘Kan het
zo? Loop ik niet in de gaten?’ fluistert een vreemd geklede vrouw met een rare
lage mannenstem.
‘Doek voor
uw mond houden, Heer Saul,’
fluistert de adjudant die er bij staat, ‘Zo, met één hand. Alleen uw ogen
moeten te zien zijn en met uw andere hand uw rok een
beetje optillen, anders valt u erover. Juist, zo!…’
‘En laat
ons het woord maar doen.’ zegt de officier, die ook meegaat. Hij tilt een punt
van het tentdoek op om te kijken of alles buiten veilig is en geeft een teken
met zijn arm.
De koning
gaat vermomd naar Endor om in het diepste geheim een spiritiste te raadplegen.
Als je
dingen doet die niet mag, dan ben je altijd op je hoede. Je hoort elk geluidje
en je schrikt al als er een vogel opvliegt.
Xara, de
waarzegster gaat rechtop zitten op haar slaapmatras als er een zacht klopje op
haar deur klinkt. Mensen? Zo laat in de nacht? Zijn het soldaten van Saul, die haar komen oppakken, zoals de andere waarzegsters
overkomen is? Met bevende vingers schuift ze de grendels van de deur en kijkt
door een kier. O, gelukkig, het zijn maar klanten, die zelf ook doodsbang zijn.
In het maanlicht ziet ze twee mannen en een vrouw, die haar hulp nodig hebben.
‘Kun je
voor ons contact maken met de andere kant?’ fluistert er één zacht. De andere
man kijkt over haar schouder heen of er verder niemand binnen is. En de vrouw
stapt zo maar, brutaal, over de drempel Xara’s
halfdonkere huisje in.
Met een
vreemde lage stem zegt ze: ‘Kun je voor mij de geest van een dode oproepen?’
Zonder
licht aan te steken sist Xara: ‘Hé mensen, ik heb
jullie door. Jullie willen mij erin laten lopen. Je weet hoe streng er
opgetreden wordt tegen lui zoals ik. Je denkt toch niet dat ik gek ben?’
De vrouw
duwt haar echter ruw op een kruk en snauwt: “Hou op met dat geleuter. Laat Samuël opkomen, vooruit, ik zal je
er goed voor belonen.’
In het
halfduister ziet ze… een baard en een snor. Het is helemaal geen vrouw. Het is…
Je wilt
gewoon niet weten hoe zo’n spiritiste
geesten oproept. Toverspreuken, skeletjes van rattenkoppen, een kraaienpoot,
een beetje nijlpaardenpoep in een potje, spiegeltjes uit Egypte en mummies van
dooie katten... En dat alles bij het licht van een olielampje. Je wordt er
misselijk van. De mannen wachten in spanning af wat er gaat gebeuren.
Plotseling
klinkt er een ijselijke kreet. Ze springen van schrik een meter van de grond.
‘Stil, stil
nou toch, vrouw. Als de buren het horen.’
Xara hoort hun
waarschuwing niet, ze rolt met haar ogen en is hevig van streek.
‘Oi, wee mij! Jij bent… koning Saul.
Ja, je hebt me bedrogen!!’ Ze slaat zich met twee vuisten
op de borst en trekt de haren uit haar hoofd. ‘Ik zie, ik zie, een oude man,
gehuld in een mantel, uit de grond omhoog komen…’
Hallo, kun
je gelijk zien wat een nep het is. Samuel is in het Paradijs, waar Abraham en
alle gelovigen zijn. Die zit niet als spook in de grond! Maar goedgelovige Saul zegt: ‘Jaja, dat is hem, Samuël… ‘
Hij valt op
zijn knieën met zijn gezicht op de grond.
Met een
ijzingwekkende grafstem roept de geest boos: ‘Waarom heb je me laten opkomen?’
Saul gaat
weer rechtop staan en vertelt zenuwachtig wat er aan de hand is.
‘De
Filistijnen zijn ten strijde getrokken en God is van mij geweken. Wat moet ik
doen. Ik ben radeloos. Help me!!’
Dan vertelt
de geest Saul, dat het allemaal zijn eigen schuld is.
God heeft David in zijn plaats aangewezen om koning te zijn. En…. morgen zullen Saul en zijn zonen
gedood worden.
‘Plof!’
Saul valt
flauw. Dit bericht is teveel voor hem. Daar komt nog bij dat hij de hele dag en
de hele nacht niets gegeten heeft…
De volgende
dag ontbrandt de strijd. De Filistijnen zitten Saul
en zijn zonen op de hielen. Ze doden Jonatan, Abinadab en Malkisua.
Saul ziet
het voor zijn ogen gebeuren. Het is een nachtmerrie. Hij weet dat ook zijn
laatste uur is geslagen.
‘Dood mij,’
zegt hij tegen zijn wapendrager en reikt hem zijn zwaard aan, maar de man
weigert ontzet.
Dan doodt Saul zichzelf. Het is over en uit voor de koning die in de
valkuil van spiritisme viel, waarvoor hij de mensen zelf had gewaarschuwd.