Opdracht
week 5Ongeveer tien minuten
Lees samen het volgende
gedichtje
GD11 - Het zoontje van
een timmerman uit de bijbel
Vandaag kreeg ik een
meetstok van mijn vader.
Nu meet ik alles wat ik
zie.
De plank, de deur, de
kast met laden.
Ik meet de tafel, een,
twee, drie.
Mijn vader doet het
voor.
Zo moet je meten.
Dit is een el, een span,
een voet, een duim.
Puh! Net of ik dat niet zou weten.
Hij zegt: Die plank is
twee span..... ruim.
Ik vind het leuk en meet
de gekste dingen.
M'n neus, een steen, en vaders grote teen.
Ik meet het visje, dat
de buurkinderen vingen.
De hond zijn staart en m'n vriendjes been.
Nu zit ik in de schaduw
uit te rusten.
Op
een grote steen en ik denk na.
Zijn er ook dingen die
je niet kunt meten?
Zal ik het vragen aan
mijn pa?
Pa, kun je alles meten?
De zee, de bergen en elk
ding?
En had God ook een
meetstok, toen Hij alles maken ging?
Maar vader zegt: Vlug,
jongen,
de sabbat komt eraan.
En jij hebt helemaal nog
niet
Je mooie jasje aan.
Even later in de
synagoge
hoor ik het antwoord in een lied.
Gods trouw is hoger dan
de wolken.
En zijn liefde eindigt
niet.
Josine
Wat je moet weten
Vroeger maten ze met menselijke maten, een handbreedte of een el. Dat had
iedereen bij de hand. Nu is er precies vastgesteld wat een meter is. Sinds de 18e eeuw zijn de
van het menselijk lichaam afgeleide maten als duim, palm, voet en vadem
ingeruild voor de geijkte maten millimeter, meter en kilometer.
Opdracht:
Meet eens een paar
dingen uit de ruimte waar je zit. Net je duim of met een span of met je voet. Misschien
kun je elkaar meten?
Als je vergelijkt wat
jij meet en wat een ander kind meet bij hetzelfde ‘ding’ zijn de uitkomst dan hetzelfde? Waarom
niet?
Zo moeten we ook elkaar
niet meten met menselijke maat, maar met Gods maat. Kun je Gods liefde meten?