Verhaal week 4Ongeveer tien minuten
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Heb je wel
eens een sprookje gehoord van een prins, die een prachtig land geërfd had, maar
het pas kon innemen nadat hij de zevenkoppige draak verslagen had?
In
onderstaand verhaal gaat het ook over een land en over enge reuzen… Ja echt,
het staat in de bijbel, lees maar.
‘Mozes!’
‘Ja Heer,’
‘We zijn nu
bijna bij het Beloofde Land gekomen. Als je op de berg klimt
kun je het zien liggen. Nu moet je twaalf mannen van het volk nemen, uit elke
stam één en die moeten het gaan bespioneren.’
‘Komt in
orde, Heer!’zei Mozes. Hij was gewend om meteen in actie te komen als God hem
iets opdroeg. Een keertje had hij het niet gedaan en daar had hij nog steeds
spijt van…
Hij ging
meteen met de leiders van de stammen praten. Zij kenden hun mensen en wisten
precies wie er moed had en slim was.
’t Is
altijd leuk als je ergens voor wordt uitgekozen, maar dit keer zat er best een
risico aan.
Spion zijn
is een gevaarlijk beroep. Je kunt ontdekt worden, vermoord zelfs! Maar na wat
heen en weer gepraat kwamen ze er toch samen uit. Daar stonden ze dan: Sammua, Safat, Kaleb, Jogal, Hosea,
(Mozes noemde hem altijd Jozua), Palti, Gaddiël, Gaddi, Ammiël, Setur, Nachbi, Geüel. Twaalf in totaal.
Zie je ze al voor je?
Net als bij
voetballers vóór een wedstrijd stonden ze te trappelen van ongeduld. Maar Mozes
moest hen eerst nog instructies geven.
‘Trek hier
het Zuiderland in en dan over de bergen. Je moet
kijken of het volk dat er woont sterk is of zwak, klein of talrijk… Kijk ook
naar het land zelf. Is het goed of slecht, zijn er steden en waar liggen die.
Zijn er ergens vestingen. Onthoud waar er bomen zijn en of we van de opbrengst
van het land kunnen leven. Dat zie je gauw genoeg. Het is nu zo’n
beetje de tijd van de druivenoogst, dus kijk eens of er ergens wijngaarden
zijn. Begrepen?’
Natuurlijk
waren er nog wat vragen en iemand had wat goeie
adviezen hoe ze zich kleden moesten zonder op te vallen. Van alle kanten kregen
ze waterkruiken en eten voor onderweg. Na veel kussen en omhelzingen van hun
kinderen en vrouwen en vooral veel heel veel goede wensen vertrok de groep
richting het Zuiderland.
Wat een
avontuur. Spannend ook, want hiervoor hadden ze het allemaal gedaan. Ze waren
niet voor niks uit Egypte getrokken, waar ze door
slavendrijvers geslagen waren en waar hun kinderen vermoord werden. ‘Ik breng
je in een land van melk en honing,’ had de Heer beloofd. Nou, kom maar op! Eindelijk zouden ze
uit die vreselijk hete woestijn binnengaan in het Beloofde Land. Ze liepen en
keken en deden net alsof. Ze overlegden, slim, sluw, onopvallend veertig dagen
lang, aanvankelijk vol verwachting, maar naarmate de tijd verstreek steeds moedelozer.
O Here God, wat verschrikkelijk…
Ja, oké,
het wás een schitterend land, vruchtbaar tot en met.
Granaatappelen, druiven, vijgen, waterbronnen. Maar…. DE INWONERS WAREN REUZEN,
klerenkasten, met
handen als kolenschoppen en spierballen als boksers.
In doffe
wanhoop plofte de groep verspieders tenslotte neer in
een droge greppel. Sommigen hadden tranen in de ogen, anderen keken verbeten,
alsof ze Mozes de schuld wilden geven van deze ‘mission
impossible’ Alle twaalf? Eh…
nee, niet alle twaalf.
Twee
hielden de moed erin. Jozua en Kaleb.
‘Daar zijn
ze, daar zijn ze terug!’gilde de oudste zoon van Kaleb.
Meteen was
iedereen alert. Stipjes in de verte… Waren dat de verspieders? Ja hoor! O, nu
zouden ze spoedig horen hoe het land was waar ze naar op weg waren. Jaaaaa! Iedereen begon te rennen om maar vooral vooraan te
staan als het verslag werd gedaan. Mozes kwam ook uit zijn tent, waar hij voor
zijn mensen had gebeden.
En? En? O,
het was goed, dat kon je zo zien.
Kaleb en Jogal hadden een enorme druiventros bij zich, die over een
stok hing. Ze moesten hem met zijn tweeën dragen, zo groot was tie. Druiven zo groot als kleine pruimen! O kijk, anderen hadden prachtige sappige granaatappels en
vijgen bij zich. Machtig zeg!
‘St! Stil nou even allemaal, we kunnen niks
verstaan!’ riep de vrouw van Gaddi, blij dat ze haar
man weer heelhuids terugzag.
Toen
begonnen de verspieders te vertellen. Ja, het was inderdaad een land van melk
en honing, maar…
Bij het
horen van het verhaal van de reuzen was het even stil en toen brak het lawaai
los. Huilen, schreeuwen, wanhoop en woede barstte los.
‘Mozes, wat
heb je ons aangedaan. Waren we maar in Egypte gebleven. We zullen allemaal
sterven in de woestijn!’Het gejammer hield maar aan.
‘STILTE!!’ Wie ging daar op een kist staan? Wie brulde zijn longen
uit zijn lijf om het stil te krijgen? Het was Kaleb
en Jozua ging naast hem staan.
‘STIL
ALLEMAAL!!’
En het werd
stil.
‘Luister
goed,’zei Kaleb ‘laten we gerust optrekken en het
land in bezit nemen, als de Heer met ons is en van ons houdt dan zal hij ons
brengen in dit land, dat vloeit van melk en honing.’
‘Ja, voegde
Jozua er aan toe, ‘De Heer is met ons, we vrezen niet
voor reuzen, hoe sterk ze ook zijn!’
Hoe het
verder afliep? ’t Is nog een heel verhaal, maar een
ding is zeker. Jozua en Kaleb kwamen er wel en alle
anderen niet. Nog veertig jaar moest het volk Israël door de woestijn trekken.
Dat was de straf voor hun ongeloof.
Ja, onze
God kan reuzen verslaan en daar vertrouwen we op. Bij Hem is niets onmogelijk.