Activiteit   week 2

Ongeveer 15 minuten 

Deze week kun je kiezen uit de volgende activiteiten:

 

* knipoogje

De kinderen vormen een dubbele kring. Eén kind staat alleen. Het knipoogt naar een van de kinderen in de binnenste kring. Die probeert over te lopen. Als de achterste het doorheeft pakt hij haar gauw vast. Dan moet ze blijven. Als ze weg kan komen zonder gepakt te worden gaat ze achter de knipoger staan en is degene die alleen blijft weer aan de beurt om te knipogen.

 

* Jouw kans

 

Wie geeft het beste antwoord?

 

Maak een kinderjury van drie. Ze krijgen bordjes met punten, die ze zoals op de tv op kunnen steken. Ze schrijven op achter de namen van de kandidaten hoeveel punten ze gekregen hebben, van zes tot tien. Aan het eind bepalen ze de winnaar. Zorg voor een cadeautje voor de winnaar(s).

 

Een kandidaat graait in een pot en trekt er een briefje uit, waarop een vraag staat die ze moeten beantwoorden.

Als je veel kinderen hebt kun je ook met groepen werken.

 

De vragen staan op een dichtgevouwen papiertje in de pot.

Je kunt ook nummertjes in de pot doen of balletjes met cijfers erop, zoals met bingo.

Het cijfer correspondeert dan met de vraag op uw vragenlijstje.

 

De vragen gaan over hoe behandel je een ander.

 

Hieronder staan twintig vragen, maar je kunt er zelf bij verzinnen. Dit keer gaat het niet over hoe jij je voelt, maar hoe je ervoor kunt zorgen dat de ander zich bij jou voelt.

 

.

1.                   

Er is een meisje in de klas die opschept over haar dure merkkleding. Alle andere meisjes bewonderen ze. Maar er is één kind uit een arm gezin. Ze draagt altijd gedragen kleren. Je ziet haar gezicht betrekken. Wat doe jij?

 

2.                   

Jij kan goed leren en haalt een hoog cijfer voor geschiedenis, maar je beste vriend heeft heel hard geleerd en toch een onvoldoende gekregen. Hoe voorkom je dat hij jaloers wordt.

 

3.                   

Jij hebt met voetballen het winnende goal gemaakt. Een jongen uit jouw club heeft drie doelschoten gelost, maar de bal ging er niet in. Hoe help je hem over zijn teleurstelling heen?

 

4.                   

Jullie hele gezin gaat op vakantie naar het buitenland en je vertelt dat in de klas als de meester over vakantie spreekt. Er zijn ook twee kinderen die nergens naar toe gaan. De hele zomervakantie zijn ze thuis. En hun moeder werkt ook nog eens. Wat doe je om te voorkomen dat ze jaloers worden.

 

5.                   

Je vriendin ligt in het ziekenhuis met een ernstige ziekte. Het is mooi weer buiten en de klas gaat de volgende dag naar een leuk pretpark. Wat doe je, zodat ze niet jaloers wordt?

 

6.                   

Als je op schoolreis naar de Dierentuin gaat heb je veel geld meegekregen om lekkers en een surprise te kopen. Je staat een leuk ding uit te zoeken in het winkeltje van de dierentuin, maar je kameraadje die erbij staat heeft helemaal geen geld meegekregen. Wat doe je?

 

7.                   

Je hebt al heel veel computerspelen en gisteren kreeg je van je vader er nog een hele goeie bij. Je wilt het maar al te graag op school aan de andere jongens laten zien. Eén jongen begint jou te treiteren omdat hij jaloers is. Hij probeert de anderen aan zijn kant te krijgen. Wat doe je?

8.                   

Jij hebt een leuk thuis, je ziet er goed uit en je kunt goed leren, maar je wordt steeds gepest door een groep jongens en meiden die altijd op straat rondzwerven tot ’s avonds laat. Wat doe je?

9.                   

Je moeder is getrouwd met een vriend die zelf ook al kinderen had. Als die kinderen eens in de veertien dagen bij jullie komen logeren worden ze door je moeder onaardig behandeld. Jij wordt voorgetrokken. Wat doe je?

10.                

Je krijgt haatmails van een kind uit de klas, omdat je in God gelooft. Wat doe je?

11.                

Jij bent uitgekozen om in een film mee te spelen. Daarvoor mag je zelfs een paar dagen vrij van school hebben. De andere kinderen doen heel vreemd tegen je. Een vriendin gaat je erg bewonderen. Wat doe je?

12.                

Je vader is een bekende Nederlander en iedereen bewondert je als hij weer eens in een tijdschrift vermeld wordt, maar er zit ook een kind in de klas diens vader in de gevangenis zit. Wat doe je?

13.                

Jullie hebben thuis twee honden. Eén van die honden is van jou, maar je aait die andere ook wel eens. Dan wordt je eigen hond jaloers en begint te grommen. Wat doe je?

1.                   

Je hebt een buurmeisje, dat pas haar moeder is verloren. Wat doe je?

2.                   

Op je sportclub is een kind, dat thuis mishandeld wordt. Ze vertelt het aan je. Wat doe je?

 

3.                   

Op school doen ze mee met een actie voor straatkinderen. Wat doe jij?

4.                   

Er is iemand in je klas die bij het schaatsen zijn pols gebroken heeft. Hij woont bij jou in de buurt. Wat doe je?

5.                   

Op de zondagsschool is er een nieuw kind bijgekomen, dat er nogal armoedig uitziet. Wat doe je?

6.                   

Er is een kind uit een asielzoekerscentrum op jouw school gekomen, die de taal niet spreekt. Wat doe je?

7.                   

De verkering van je vriendin is uitgegaan. Wat doe je?