Verhaal week 6Ongeveer tien minuten
Geschreven door Josine de Jong (zie
bijbelverhalen.nl)
‘Ach,
wat een schatje, wat een dotje!’
Er
staan twee moeders met buggy’s voor de school te praten. Ze kijken in elkaars
wagen en bewonderen de baby’s.
´Wat
lijkt hij op zijn vader, nee wacht… hij heeft de ogen van jou.´ zegt de één.
Ze
praten nog wat door over voeding, huilen in de nacht en tandjes krijgen. Tot de
school uitgaat…
Alle
kleine kinderen zijn schattig en lief. Maar waar komen dan toch al die gemene
wrede moordenaars vandaan? Al die vieze zwervers, pestkoppen, messentrekkers,
die trappen, slaan, schoppen, je uitlachen en sarren. Hoe worden ze zo? En
vooral: HOE LOOPT HET MET HEN AF? KRIJGEN ZE DE HOOFDPRIJS IN HET LEVEN?
Dit
verhaal gaat over een boef en een dotje, want dotje komt van doetje en dat is
hetzelfde woord als … de naam van onze hoofdpersoon die toch echt geen doetje
was. Snap jij het, snap ik het. Nou, luister maar…
‘Ftuuuuu, Ftuuuhh’
Een scherp
fluitsignaal doet de herdersjongen David, de zoon van Isaï opkijken. Hij heeft
net de schaafwond van een drachtige ooi verzorgd. Zijn handen zijn nog vettig
van de olie.
‘Elchanan!’ roept hij
blij, ‘Ben je weer terug van je reis? Ik heb je echt gemist, joh!’
Elchanan, een jongen
van een jaar of zestien, ploft naast David in het gras.
‘David! Hoe istie??’
‘Voorzichtig, man, je
zit bijna bovenop mijn nieuwe harp.’ zegt David lachend, terwijl hij zijn
zelfgemaakte muziekinstrument en zijn mes in veiligheid brengt.
‘Mooie lammeren heeft
die Dikke Bertha gekregen, zeg!’ stelt Elchanan bewonderend vast. ‘Heb je nog
beesten verloren?’
‘Nou, dat scheelde
maar een haar, man. Hier, zie je deze wond op mijn schouder? Verleden week was
het goed raak. Een leeuw en de dag erna een beer. Ik heb nog nooit zo hard
gebeden… En God was me genadig. Ga straks mee naar m’n huis, dan laat ik je de
vachten zien. Maar wat heb jij meegemaakt?’
‘Dat geloof je niet.’
antwoordt Elchanan peinzend. ‘Jij een leeuw en een beer… Zo’n beest is groot
hè, als hij op zijn achterpoten staat… Twee meter of zo?…’
‘Mmm!’
‘Die kerels die ik zag
waren groter!’
“WAT???’
‘Daaf, ik heb reuzen
gezien, nee serieus! Ze waren minstens twee keer zo lang als ik. Mijn hart ging
tekeer als een gek toen ik hen voor het eerst zag. Ze wonen in de plaats Gat,
daar moest mijn vader een lading potten afleveren. Hun huizen zijn ook
hartstikke groot en hoog. De deuren? Tweekeer zo hoog als bij jou thuis. En hun
bedden…’
‘Ach, maak mij wat
wijs,’ lacht David ongelovig, terwijl hij Elchanan een stomp tegen zijn
schouders geeft, ‘doe even normaal ja?’
Hij pakt zijn nieuwe
harp en tokkelt er wat op.
‘Die ene, Goliat heet
hij, heeft zulke handen!’ wijst Elchanan, ‘En alles is groot,… Zijn speer is zo
dik als mijn arm en er zit een punt van ijzer op van een pond ijzer. Bronzen
helm, bronzen schubbenpantser… Die andere heeft zes vingers aan elke hand en
zes tenen aan elke voet!!’
‘Zal wel! Lijkt me echt
een patser. Als die op je valt ben je meteen een platluis. Maar kan hij ook nog
wat spierballen laten zien?’
‘’k Zou er maar niet
om lachen. Hij en zijn Filistijnse kameraden zijn getraind tot en met. Vanaf
dat ze konden lopen: elke dag vechtsporten, boksen, speerwerpen, zwaardvechten,
you name it… Vet agressief, man. Je kunt ze beter uit de weg gaan.’
Davids mond zakt open
van verbazing?
‘Serieus???’
‘Serieus, ik zweer het
je man.’
‘Doet!! Let op je
schapen.’ roept iemand. David springt op en met een goedgerichte worp van een
steentje uit zijn slinger brengt hij een afdwalend schaap weer terug bij de
kudde. De zon schijnt op zijn rooie haren, zijn blauwe ogen waar alle meiden
verliefd op worden zijn hard als staal.
‘Vet cool, Elchanan…’
zegt hij, ‘Over die Goliatten en hun aanhang wil ik meer horen! Vormen ze een
gevaar voor Israël?’
‘Waar hebben jullie
het over?’ vraagt Davids neef Jonatan, die aan komt lopen. ‘Zijn er leeuwen en
beren op de weg?’
‘Erger!’ zegt David,
‘Moet je horen wat Elchanan vertelt….’
Het is een paar
maanden later. De Filistijnen bereiden zich voor op een oorlog met Israël. Nee,
er is geen tv en er zijn geen kranten, je kunt niet sms’en, maar het gerucht
gaat als een lopend vuurtje door het land. In Socho, in Juda hebben ze hun kamp
opgeslagen. Koning Saul roept in allerijl het leger op in het Terebintendal
ertegenover. Ook de broers van David, Eliab, Abinadab en Samma moeten er aan
geloven.
Voor David betekent
het veel heen en weer reizen om zijn broers van eten te voorzien. Zo blijft hij
op de hoogte van het wel en wee van zijn broers en van het verloop van de
strijd.
Op een keer staat hij
met ze te praten als ze ineens opgeroepen worden de linies te betrekken. Hij
rent mee om te kijken wat er aan de hand is. En dan… gelooft hij zijn ogen en
oren niet. Daar komt me die Goliat uit Gat naar voren. David herkent hem meteen
van de verhalen van Elchanan. Het is een boom van een kerel en uit zijn grote
mond met dikke vette lippen komt een stroom van beledigingen. Een racist tot en
met. Geloof me, hierbij is, wat je in een stadion hoort schreeuwen, maar
kinderspel. Die vent haat het volk van God… en God zelf uiteraard ook! Het
bloed stijgt David naar de kop. Dit is toch schoftig!! Wie maakt hier een eind
aan?
Als hij om zich heen
kijkt ziet hij allemaal vluchtende Israëlieten. Hij grijpt er een bij zijn arm.
‘Hé, wacht eens effe.
Hoor je wat ‘ie zei?’
De bange soldaat
schreeuwt: ‘Hij wil ons allemaal de grond in trappen!! Eén op één wil hij
vechten. Nou mij niet gezien…. Voor geen goud!!’ Hij rukt zich los en kijkt
angstig om.
‘Voor geen goud?’
informeert David die weer wat gekalmeerd is.
‘Nee man, de koning
heeft een paar miljoen uitgeloofd voor degene die hem verslaat en ook nog de
hand van zijn dochter. Maar ik ben liever blo-Jan dan do-Jan.’
Robuust keert David
zich af van deze bange schijter. Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat
hij de gelederen van de levende God kan beschimpen? Zal hij dan zelf?…
Maar zijn broer Eliab,
die hem hoorde praten heeft hem door: ‘Hé, Doet, waar ben je mee bezig? Ga naar
je schapen terug, man! Echt iets voor jou om met je brutale neus vooraan te
willen staan als er gevochten wordt.’
Het is al te laat. Als
een lopend vuurtje gaat het door het legerkamp dat er iemand is die wel durft.
De koning laat David bij zich komen.
Een kwartier later en
na veel over en weer gepraat met de koning, staat David oog in oog met HET
BEEST. Nee, hij heeft geen zwaard in zijn hand. Hij heeft geen wapenrusting
aan. Hij is op en top de herder, die moedig een beer of een leeuw wegjaagt van
zijn kudde. Alleen een slinger en vijf steentjes gebruikt hij. En… zijn
woorden. O, wat lijkt David hier op Jezus! Geen zwaard, alleen de waarheid en
zijn woorden!!
Goliat ziet David
komen, een knappe tiener met rood haar. Hij verwachtte een bodybuilder, de
sterkste vent uit het leger van Israël… Dat ze een jong ventje sturen vind hij
een grove belediging. Dit is absurd! Hij vervloekt David bij al zijn Goden.
Maar David schreeuwt
dapper: ‘Jij daagt me uit met zwaard, je lans en je kromzwaard, maar Ik daag je
uit in de naam van de Heer der Hemelse legermachten!…’
Eén steentje was maar
nodig, om deze angstaanjagende stampende en briesende DOODSMACHT te
vernietigen, want, zoals David later in een zelfgemaakt lied zingt: ‘Heer, onze
Heer, hoe machtig is uw naam
op de ganse aarde.’
Goliat valt, geraakt
op juist die ene plek waar hij kwetsbaar is en David doodt hem met zijn eigen
zwaard.
Alle Filistijnen slaan
op de vlucht en Israël juicht! Wie had dit gedacht. David wordt op handen
gedragen. Tot diep in de nacht klinken de vreugdezangen op het discofeest.
David heeft meteen een fanclub en staat op de Top-Tien bovenaan. Maar met zijn
rechterhand wijst hij steeds naar boven, want het is God die de bevrijding gaf.
Ere wie ere toekomt.
Heb jij ook reuzengrote problemen? God kan uitkomst geven en daarvoor gebruikt hij jongens en meisjes die op Hem vertrouwen, doetjes. Eén steen was er slechts nodig: de steen die van het graf werd gewenteld. Want Jezus overwon DE DOOD!