Verhaal week 3Ongeveer tien minuten
OT22a - Het biezen mandje
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Heel
voorzichtig gluurde Jochebed door het raam naar buiten. Ze meende voetstappen
te horen. Wie was daar? Vriend of vijand? O, gelukkig, het was Amram haar man,
die uit zijn werk kwam. Wat was hij weer moe, donkere kringen onder zijn ogen,
zijn rug gebogen.
Het was
hard werken op de steenfabriek van de Farao, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat, zonder pauze. Werken, werken en nog eens werken! En vaak nog zweepslagen
krijgen als iets de opzichter niet beviel. Vaak genoeg had Jochebed de rode
striemen met zalf in moeten smeren. Ze zuchtte. Wanneer zou er een eind komen
aan dit vreselijke slavenleven. Wanneer zouden zij en het volk van de Hebreeën
rustig onder hun eigen vijgenboom kunnen zitten?
Amram,
Jochebed en hun kinderen, Mirjam en Aaron, waren Hebreeën, zo werden de
nakomelingen van Jakob genoemd toen ze nog schapenhoeders waren. De Egyptenaren
noemden hen zo omdat ze steeds ‘prrr!’ riepen naar hun schapen. Zelf hielden ze
geen schapen. Dat werk vonden ze minderwaardig.
Ze
waren in Egypte komen wonen toen Jozef onderkoning was. Dat was al weer bijna
vierhonderd jaar geleden. Inmiddels was het een flink volk geworden. God had
hen gezegend met veel sterke mooie kinderen. Maar toen er een nieuwe Farao
kwam, die de geschiedenis niet kende, die niet wist wat Jozef had gedaan voor
Egypte, vond hij de Hebreeën een bedreiging. Er waren er veel te veel. Straks
kwamen ze nog in opstand.
Dus
werd er een bevel uitgevaardigd, dat de jongensbaby’s gedood moesten worden.
‘In de
Nijl gooien!’beval hij streng. En de rest van het volk moet mij als slaven
dienen in de steenfabrieken. Ik wil een nieuwe stad bouwen en daar kan ik wel
wat slaven bij gebruiken!’
Niemand
die hem tegensprak. Men keek wel uit, veel te gevaarlijk.
Juist
in die tijd werd er een zoontje geboren in het gezin van Amram en Jochebed. Wat
waren ze blij met hem. Maar ze konden hun blijdschap met niemand delen, want
dan zou iemand hen misschien verraden. Je moest er niet aan denken. Hun kleine
schat door de soldaten in de Nijl gegooid!! Jochebed klemde haar lieve zoontje
stijf tegen zich aan en overlaadde hem met kusjes.
Ook
Mirjam en Aaron hielden hun geheim goed verborgen. Ze sliepen slecht en bij het
minste of geringste geluid waren ze alert.
Het
eerste gebrabbel van een baby is zo leuk om aan te horen. Kleine prr en brr
geluidjes, een mondje dat lacht. Maar het maakte ook de kans op ontdekken
groter. Zodra de baby maar een kikje gaf, kreeg het te drinken van Jochebed. Ze
stopten tussen door ook wel een katoenen dotje met honing in zijn mondje, waar
hij vervoed op ging sabbelen. Zo gingen de weken voorbij.
‘O
Vader God, bewaar ons toch,’baden ze ernstiger naarmate het stemmetje harder en
harder klonk. Ze beseften goed, dat het niet lang meer zou duren voordat de
soldaten zouden binnenstormen. Het werd tijd voor…
De
noodoplossing.
Op een
morgen ging Jochebed naar de rivier en plukte een heleboel biezen. Thuisgekomen
begon ze een mooie mand te vlechten, wat ze met pek besmeerde, zodat het
waterdicht was.
De
volgende morgen, het was nog donker, legde Jochebed haar zoontje voorzichtig in
het mandje, liep snel naar de rivier, legde het tussen het riet en ging vlug
weer naar huis, want niemand mocht ook maar iets merken. Mirjam was meegegaan.
Zij bleef op een afstandje van de rivier staan om te zien wat er met haar
broertje zou gebeuren.
Toen
het licht was geworden, kwam er een groepje vrouwen aan. Mirjam hield haar adem
in. Het was de dochter van de Farao met haar slavinnen, die zoals elke morgen
hier kwamen baden in de rivier.
Mirjam
wachtte gespannen wat er zou gaan gebeuren. Zouden ze het mandje vinden? Ja
hoor! Ze hoorde de prinses tegen een van haar slavinnen roepen: ‘Daar drijft
een mandje. Haal het eens vlug, dan kan ik kijken wat er in zit.‘
Mirjam
hield haar hart vast. Oh, de prinses deed het deksel open. Ze zag het jongetje
liggen, dat meteen begon te huilen. De prinses begreep, dat het een kind van de
Hebreeën was, dat verdronken had moeten worden. ‘Het is zo’n mooi kind. Ik heb
het gevonden. Het is nu van mij. Ik noem hem Mozes!’
Ze
pakte hem uit het mandje en wiegde hem heen en weer op haar armen. Maar Mozes begon
weer te huilen. Hij had honger. Hoe moest dat nu? De prinses kon hem niet
voeden en de slavinnen ook niet.
Mirjam
had alles op een afstand gehoord. Ze kwam eerbiedig dichterbij.
‘Zal ik
voor uwe hoogheid iemand halen die het kind kan voeden?’ vroeg ze eerbiedig. Ik
ken wel een vrouw, die dat kan.’
Vol
verwachting keek ze de prinses aan.
‘Ja,
doe dat. Maar wel een beetje snel!’antwoordde de prinses.
Mirjam
holde naar huis en maakte af en toe een sprongetje van vreugde. Vlakbij huis
begon ze al te roepen: ‘Mamma, mamma, kom vlug!’
Jochebed
had al die tijd gespannen gewacht op bericht van haar kleine lieveling. Ze kwam
meteen naar buiten. Mirjam vertelde hijgend wat er aan de hand was. Ze
struikelde over haar woorden.
‘Kom
vlug mee, mam! De prinses wil dat je ons broertje voedt.’
Jochebed
rende achter Mirjam aan naar de rivier.
Haar
hart bonsde als een gek toen ze een diepe buiging voor de prinses maakte.
‘Vrouw,’vroeg
de prinses, ‘dit kind heb ik gevonden. Het is de komende Farao, die de Nijl af
kwam varen in deze boot, net zoals mijn voorouders vanuit de hemel in een boot
de Nijl af kwamen varen. Het kind is heel kostbaar, maar ik kan hem niet
voeden. Kunt u dat wel?’
‘Ja,
hoogheid,’zei Jochebed met een rode kleur.
‘Hoe
heet je?’
Mozes
hoorde de stem van zijn moeder en draaide zijn kopje om. Hij stak zijn handjes
uit en begon nog harder te schreeuwen.
Jochebed
popelde om hem weer in de armen te nemen.
‘Ik ben
Jochebed, de vrouw van Amram, uw nederige dienaar, hoogheid.’
‘Goed,
neem hem maar mee. Ik stuur een paar soldaten mee om op hem te letten. Zorg
goed voor hem, totdat hij zindelijk is. Ik zal je er goed voor betalen.’
Jochebed
kon haar vreugde niet bedwingen, maar ze moest toneelspelen, anders stond het
leven van haar kind op het spel.
Eindelijk
overhandigde de prinses Mozes aan Jochebed. O, wat was ze gelukkig. Toen ze uit
het zicht was van de prinses, ging ze aan de kant van de weg zitten tegen een
boom en gaf hem de borst. Ze hoefde niet meer bang te zijn voor de soldaten.
God had hen hun zoon terug gegeven, want hij had een heel bijzonder plan met
Mozes.