Verhaal week 2Ongeveer tien minuten
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
'Hofni!'
De oude, dikke priester Eli, die op een stoel bij de deur
van de tempel zit, roept zijn zoon.
'Hofni, waar ben je?'
Helemaal vooraan bij de ingang, zitten een paar grote
jongens. Ze lachen en maken pret met wat vreemde meisjes. Het is echt geen
leuke pret. Het lachen klinkt eigenlijk vals.
'Hé, Hofni,' zegt één van de meisjes, je vader roept je.'
Hofni neemt een grote slok wijn en pakt een vette kluif van
een schotel.
'Nou, èn?.... Laat maar roepen, hoor!' antwoordt hij met
volle mond.
Zijn broer Pinehas grijnst en voegt eraan toe: 'Die ouwe
vader van ons kan toch geen steek zien. Hij weet niet dat we hier zitten...'
'Hofni! Pinehas!' roept Eli weer.
Waarom komen ze nou niet? Och, hij moet ze toch eens een
standje geven. Die vervelende jongens. Morgen misschien?
'Samuël!' roept hij dan.
Een kleine jongen in een wit kleed houdt op met vegen. Riep
zijn pleegvader Eli hem? Hij zet zijn bezem tegen de muur en rent naar de oude
man toe.
'Hebt u geroepen, vader Eli?'
'Ja, Samuël, de deuren moeten gesloten worden en de olielamp
bijgevuld.'
'Ja, vader Eli, ik zal het gelijk doen...'
'En... Samuël, zul je de boekrol netjes in de kast zetten? O
ja, je moet de goede olie gebruiken voor de kandelaar, hoor! Die zit in het
kruikje rechts op de plank van de voorraadkamer.'
'Ja vader, Eli.'
'En als je klaar bent, wil je mij dan even naar bed
brengen?'
Samuël heeft het erg druk, maar dat is niets erg. Het werk
dat hij doet, doet hij immers voor God. O nee. Hij zou niet willen ruilen met
die twee zoons van Eli, die nietsnutten. Ze stelen zelfs nog van de offers van
God. Zij kennen niet het blije gevoel dat je krijgt als je weer een stukje uit
het woord van God uit het hoofd kunt opzeggen.
Of als je, zoals hij nu, de prachtige gouden lamp bijvult,
zodat het licht helder weerkaatst tegen de wanden van het Heilige.
Samuël veegt met een zacht doekje een druppel olie weg. Dit
is het mooiste moment van de dag. Eerbiedig knielt hij neer. Het knechtje van
Eli, het knechtje van God.
Het is al helemaal donker als Samuël eindelijk op zijn
slaapmatje ligt. Buiten is het stil. Duizenden sterren flonkeren zachtjes aan
de hemel. De maan geeft alles een geheimzinnig licht. De nachtwind doet de
gordijnen van de tempel een beetje opwaaien. Heel even kun je een glimpje
opvangen van de lamp in het heilige, de gouden kandelaar met de zeven lichten.
Ineens klinkt het: 'Samuël!'
De kleine priester schiet overeind. Riep iemand hem? Dat is
zeker Eli. Hij doet snel zijn sandalen aan, grist zijn mantel van de spijker en
loopt naar de slaapplaats van Eli.
'Hier ben ik, Eli. Hebt u mij geroepen?'
De oude man schrikt wakker.
'Hè? Is er wat, Samuël? Waarom maak je me wakker?'
'U hebt me toch geroepen?'
'Welnee! Je hebt je vergist. Ga maar weer lekker slapen,
hoor!'
'Ja, vader Eli. Welterusten!'
'Welterusten, Samuël.'
Rillerig kruipt Samuël weer onder zijn wollen deken. Hij
slaapt weer in.
'Samuël!' klinkt het voor de tweede keer.
Nu heeft Eli toch echt geroepen.
Maar, nee hoor!
Als Samuël voor de derde keer komt vragen of Eli hem nodig
heeft, slaat de priester verschrikt zijn hand voor de mond.
'O, wacht eens... Ik geloof dat ik het begrijp. Misschien...
misschien roept God je wel. Als je nu weer die stem hoort, moet je maar zeggen:
'Spreek, Heer, want uw knecht hoort...''
Samuël knikt ernstig. Ja, hij heeft het begrepen. Langzaam,
met kloppend hart en een rode kleur loopt hij weer terug naar zijn slaapplaats.
Zou het waar zijn? Zou God willen praten met een jongen zoals hij? Hij kruipt
wel onder de deken maar van slapen komt niets meer.
Ja, daar klinkt het weer heel duidelijk: 'Samuël! Samuël!'
Meteen is hij overeind en stamelt: 'Spreek, want uw knecht
hoort!'
En daar, gewoon vlak bij zijn bed, gaat de Here God met
Samuël praten alsof Hij zijn vriend is. Hij maakt hem zijn plannen bekend. Alle
slechte dingen van Hofni en Pinehas heeft God gezien en zij zullen ervoor
gestraft worden. Moet hij, Samuël, deze moeilijke boodschap morgen aan Eli
brengen?
Daar ziet hij erg tegenop.
Maar dan weet Samuël diep van binnen: God wil hem gebruiken
als zijn eigen knechtje. Is dat niet fijn?