Als je aan mensen in Egypte zou
vragen: 'Wie is de wijste man van het land?' dan
zouden ze zonder aarzelen antwoorden: 'Dat is onze Farao, want hij is de zoon van
de goden. Hij regeert ons land met grote wijsheid.'
Toch... weet de Farao niet altijd
hoe hij een probleem op moet lossen. Dan roept hij de geleerden en wijzen van
heel Egypte bijeen en vraagt hen om raad. Urenlang wordt er vergaderd en
overleg gepleegd. Als men het dan tenslotte eens is,
neemt de Farao een besluit. Ja, misschien zijn die geleerden, priesters en
wijzen samen wel wijzer dan de Farao...
Maar weet je wie nog wijzer was?
Weet je door wiens wijze raad het hele volk werd
gered? Dat was... Nee, lees zelf maar.
'O, wat stom van mij!' zegt Ptah-En de schenker van de Farao half hardop.
Even, heel even maar, trekt er een
rimpel van ergernis boven de ogen van de Farao. De koning houdt er niet van als
iemand ongevraagd het woord neemt in zijn nabijheid. En het past helemaal niet,
dat een bediende spreekt als de raad der wijzen bijeen is. De Farao gaat
rechtop zitten, het hoofd nog hoger geheven. Zijn gezicht, strak in de plooi,
verraadt niet wat er in hem omgaat. O, er gaat veel in hem om. Het stormt in
zijn binnenste. Er is die angst, die vreselijke angst voor wat komen gaat. Dat
komt door die dromen vannacht. Hij heeft de wijzen en geleerden van heel Egypte
bij elkaar geroepen en gevraagd de dromen uit te leggen, maar geen van de
wijzen daar voor hem kan hem helpen. De Farao laat echter niet merken dat hij
van streek is. O nee.
'Vergeef mij, o grote heerser vol
wijsheid!' smeekt Pta-En. Geknield ligt hij voor de
Farao, het gezicht bijna op de grond.
'Sta op, schenker en vertel wat je
te zeggen hebt. Maar denk eraan. Je moet wel een heel goede reden hebben om ons
zo te storen.'
Ptah-En staat
snel op. 'O, heerser van de Nijl, ik weet iemand die uw dromen uit kan leggen.
Jozef heet hij. Hij is een helper van de gevangenisdirecteur. Het is dom van me
dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. U weet dat ik twee jaar geleden een
tijdje in de gevangenis heb gezeten... eh...
onschuldig overigens, zodat u mij in uw goedheid weer hebt aangenomen als uw
schenker...'
De Farao wuift met zijn linkerhand
om aan te geven dat hij daarover niets wil horen. Ptah-En
vervolgt: 'Ik was daar zoals u weet, samen met de hofbakker. Op een nacht
hadden wij beiden een droom. Die dromen leken een beetje op elkaar, zodat we
het akelige gevoel kregen, dat ze iets met onze toekomst te maken hadden.'
Toen Jozef ons, zoals altijd,
water en brood kwam brengen, merkte hij onze verwarring.
'Waarom kijkt u zo verdrietig?'
vroeg hij. Wij vertelden hem van onze dromen, waarop hij zei: 'Alleen God kan
iemand vertellen wat de droom betekent.'
En... o grote zoon van de goden,
tot onze verbazing verklaarde hij ons alles. Zoals hij het uitlegde gebeurde
het ook. De hofbakker werd veroordeeld en ik werd door uw genade in ere
hersteld...'
'Ga ogenblikkelijk die Jozef
halen,' beveelt de Farao. 'Als het waar is wat je me vertelt, Ptah-En, dan vergeef ik je dat je zo ongevraagd tot mij
hebt gesproken.'
De schenker buigt nogmaals diep en gaat dan vliegensvlug met een paar dienaren
naar de gevangenis om Jozef te halen...
Er valt een vreemde stilte als
Jozef even later, netjes geschoren en in schone kleren, de troonzaal
binnenloopt. Je hoort alleen het zachte heen en weer gaan van de grote waaiers
in de hand van de slavinnen achter de troon. Iedereen rekt zich uit, benieuwd
om die Hebreeuwse slaaf te zien die dromen uit kan leggen.
En de Farao? Met onbewogen gezicht
bekijkt hij Jozef vanaf zijn hoge troon. Hij ziet een knappe jongeman met
pientere ogen en een lachende mond. Zou die hem kunnen helpen?
'Ik heb een droom gehad...' begint
hij dan.
Zo hoort Jozef het hele verhaal.
De Farao heeft gedroomd van zeven vette koeien en zeven magere koeien. De
magere aten de vette op en werden geen grammetje dikker. In de tweede droom
gebeurde ook zoiets. Toen waren er zeven magere korenaren die zeven dikke
opaten.
'Mijn raadgevers kunnen deze droom
niet verklaren,' eindigt hij. 'Maar ik heb van jou horen
zeggen, dat je een droom maar hoeft te horen of je kunt hem uitleggen.'
Verschrikt doet Jozef een stap
naar achteren en wuift met zijn hand.
'Nee, nee, Heer van Opper en Neder
Egypte, niet ik, maar God...'
Jozef, de zoon van herder Jakob weet dat maar al te goed.
'God maakt Farao duidelijk wat Hij
zal gaan doen. Er komen zeven jaren van overvloed en daarna zeven jaren van
grote hongersnood. Dat u dit tweemaal droomde, betekent dat het spoedig zal
gebeuren. U kunt dus maar het beste zo gauw mogelijk maatregelen nemen. Al het
voedsel dat over is in de goede jaren, zou in schuren moeten worden bewaard tot
de tijd van de hongersnood. U zou een wijs en verstandig man moeten zoeken, die
dit alles regelt.'
Kaarsrecht heeft Farao zitten
luisteren. Alleen zijn ogen verraden hoe gespannen hij is. Nu glimlacht hij
bewonderend. Plechtig staat hij op van de troon en spreekt: 'Waar zouden wij
iemand kunnen vinden met zoveel wijsheid? Hij moet het zijn, deze jongeman in
wie de Geest van God woont. Ik verklaar hierbij dat hij onderkoning van mijn
land zal zijn.'
'Lang leve de Farao!' roepen alle
aanwezigen.
'En lang leve de redder van ons volk...'
zegt de Farao, terwijl hij zijn eigen zegelring aan Jozefs vinger schuift.
In dichte drommen staan die middag
de inwoners van Memfis te kijken naar de koninklijke
koets. Daarin rijdt in een veelkleurig kleed van fijn linnen Jozef, de wijste
man van het land. Als zijn vader dat eens wist.