Iedereen is het erover eens: het
huis van Potifar, de lijfwacht van de Farao, is het
mooiste huis van de stad.
Over een marmeren tegelpad kom je in
een schitterend voorportaal met uitzicht op de binnenplaats vol bloemen. De
grote rijk gemeubileerde kamers zijn heerlijk koel. De badkamer is betegeld met
kleurige mozaïeksteentjes. Toch weten maar weinig mensen dat het niet fijn is
om in dat huis te leven. Er wordt heel wat ruzie gemaakt. De bedienden zijn lui
en onbetrouwbaar. Ze stelen wat ze kunnen. Als je goed kijkt zie je veel dorre
blaadjes zitten tussen de bloemen. Op veel plaatsen in huis is het een bende en
de boontjes op het veld moeten ook nodig geplukt worden.
Op een goeie
dag echter komt daar verandering in. Dat is de dag dat Jozef er binnenkomt, die
Hebreeuwse slaaf, die Potifar voor een flink bedrag
heeft gekocht van kooplui uit Midjan.
'Een nieuwe slaaf!... Daar komt'ie!' schreeuwt een jongetje,
terwijl hij de binnenplaats van de slavenverblijven oprent. Hij struikelt bijna
over zijn eigen benen in zijn enthousiasme om het nieuwtje bekend te maken. Uit
alle deuren, hoeken en gaten komen de slaven aangelopen om naar de nieuwe te
kijken.
'En hij kan niet eens goed
praten...' krijst de jongen.
'Zeg eens goedendag net als
daarnet op de markt... Goe- den- dag!' roept hij
tegen Jozef.
'Koetentak,' zegt deze.
Haha. Iedereen
schiet meteen in de lach. Maar de hoofdbediende snauwt, terwijl hij het knellende
touw van Jozefs handen lossnijdt: 'Sta niet zo dom te lachen, ezels. Nogal
logisch dat hij onze taal niet spreekt. Het is een Hebreeër. Vooruit, luie
varkens, aan je werk allemaal!'
Druk pratend en omkijkend gaat
iedereen weg. Waar zou die nieuwe slaaf moeten slapen? Is hij voor op het land
of voor in het huis? En wat is hij knap om te zien, zeg!
Die avond slaapt Jozef voor het
eerst van zijn leven niet in een tent of onder de open hemel, maar in een huis.
Door de broeierige warmte en de zoemende muggen kan hij niet direct slapen. Met
de handen onder zijn hoofd gevouwen, staart hij in het donker. O, als vader
eens wist dat hij hier was...
Jozefs gedachten gaan terug naar
die laatste keer dat hij hem zag. Dat was net voordat hij zijn broers ging opzoeken.
'Kom kind,' had vader gezegd,
'laat mij je nog de zegen van God meegeven.'
Vader zegende hem altijd voor ze
aan een tocht begonnen. Hij hechtte erg veel waarde aan de zegen van God. Nog
voelt Jozef in gedachten de warme vertrouwde handen van vader op z'n hoofd...
Tranen van heimwee branden achter
Jozefs ogen.
'Vooruit, flink zijn,' vermaant
hij zichzelf, 'Vader is er niet, maar de zegen blijft.'
Hij draait zich op z'n zij en probeert te gaan slapen.
'Hoe bevalt de nieuwe slaaf?'
vraagt Potifar een tijdje later aan zijn
hoofdbediende.
'Uitstekend, heer! Hij is vlug van
begrip en snel klaar met zijn werk...'
'Mmm,'
bromt Potifar, 'dan zal het wel slordig gedaan
worden.'
'O, nee, heer. Alles wat Jozef
doet is keurig in orde. U heeft werkelijk een goede keus
gedaan. Jozef is eerlijk en nooit uit zijn humeur. Toen ik hem vroeg hoe het
toch zo kwam dat hij zo anders was dan de anderen, antwoordde hij glimlachend,
dat zijn God altijd met hem was.
'Zozo?'
zegt Potifar verwonderd, 'En over welke God heeft hij
het dan wel? Er zijn er zoveel.'
Hij speelt gedachteloos met de
gouden ketting die om zijn nek hangt.
'Die Hebreeën hebben maar één God,
heer. Ze hebben geen enkele afbeelding van Hem. Hij heeft alles gemaakt, zeggen ze. Zelfs de zon.'
Dat kan Potifar
zich niet voorstellen. De zonnegod, die elke dag in een gouden koets langs de
hemel rijdt en alles laat groeien? Hij haalt zijn schouders op en wenkt met
zijn hand om te beduiden dat het gesprek afgelopen is. Maar hij blijft
doordenken over die merkwaardige slaaf. Als die knaap echt zo goed is... als
zijn God hem zegent in alles wat hij doet, dan kan hij hem best wat meer laten
helpen bij de leiding over zijn huis.
Zo wordt Jozef al spoedig de
belangrijkste persoon in Potifars huishouding. Wat
wordt het nu gezellig in het grote huis. Alles is keurig netjes op orde en de
ruzies zijn over. Dat komt allemaal door die gezegende slaaf Jozef. Potifar is zeer tevreden.
Weet je wie ook tevreden is?
De vrouw van Potifar.
Zij vindt Jozef ook ijverig en vriendelijk, maar boven alles knap, heel knap.
Veel knapper dan haar eigen man. Ze zoekt Jozef heel vaak op en doet dan
poeslief tegen hem. Op een keer als Potifar voor
zaken wegmoet, denkt ze: 'Dit is mijn kans. Ik wil Jozef.'
Ze kleedt zich mooi aan en gaat
Jozef haar plan vertellen. Natuurlijk voelt Jozef er niets voor om zijn goede
meester te bedriegen.
'U denkt toch niet dat ik dat
doe?' roept hij verontwaardigd uit. 'Dan zou ik wel heel erg zondigen. Ik kijk
wel uit.'
Wat is de vrouw kwaad dat ze haar
zin niet krijgt.
'Kom hier,' schreeuwt ze. 'Jij
bent mijn slaaf en je moet doen wat ik zeg.'
Ze pakt zijn kleed vast, maar
Jozef maakt gauw het gespje los en vlucht.
'Wacht maar!' dreigt ze gemeen,
'Ik krijg je wel!'
Als Potifar
thuiskomt vertelt ze het hele verhaal precies
andersom.
'Die slaaf Jozef heeft mij lastig
gevallen. Kijk maar. Hier ligt zijn jas nog.'
Potifar is
woedend. Zonder te onderzoeken of het waar is laat hij Jozef in de gevangenis
gooien.
Daar zit Jozef nu in een vieze
donkere cel. Zijn voeten zitten vast in ijzeren boeien. Is hij nu nog gezegend?
Jazeker wel, want God heeft een
plan met hem.