Het is al laat in de middag. Over
de stoffige weg van Dotan naar Hebron
gaat een kleine karavaan. Het zijn kooplui uit Midian,
dat zie je aan hun kleurige hoofddoeken. De kamelen en ezels zijn afgeladen met
goederen: gevlochten manden, gom, balsem, ijzeren messen, hars en sieraden van
been. Hun zwarte jassen wapperen achter hen aan in de wind als ze de dieren
opjagen met een lange tak.
'Vort! Vort! Jujuju!'
Aan de laatste kameel is een
slavenjongen gebonden. Hij is gekleed in een gescheurd wit hemd en loopt op
blote voeten. Het touw striemt om zijn samengebonden handen. Treurig sjokt hij
voort. Z'n voeten doen zo'n pijn, maar niemand
bekommert zich daarom. Hij is immers maar een slaaf.
'Vort! Vort!'
'God van mijn vader,' bidt de jongen, 'Help mij toch! Alstublieft.'
De stoet nadert Hebron. In de verte kun je de donkerbruine tenten zien van
de herdersfamilie die hier woont. O, de slavenjongen krijgt weer moed.
Hij kent de streek hier op zijn
duimpje. Hij weet precies waar de waterput is en waar er in de droge tijd
altijd nog groen gras te vinden is voor de schapen.
Hij kent de rotsen, waarin je je verbergen kunt voor de stromende regens.
Dat komt, omdat de jongen hier eigenlijk woont. Scherp turen zijn ogen naar de
geitenharen tenten. En ja. Daar ziet hij wat bekende vrouwen, wat knechten en
daar... 'Vader!' schreeuwt hij hard. 'Vader, help! Hier ben ik, Jozef... Va...'
Een hand knijpt zijn mond dicht.
De Midianitische kooplui willen niet dat hij zijn
vader roept. Dan raken ze misschien hun slaaf kwijt.
Ach vader is
de bruine grote tent binnengegaan. O, als hij eens wist... Hij zou Jozef zeker
komen verlossen.
Hoe komt het eigenlijk dat Jozef,
de zoon van de rijke herdersvorst Jakob, hier als
slaaf wordt meegenomen? Hebben de Midjanieten
hem soms gevangen?
Nee, Jozef is verkocht en nogal
liefst door zijn eigen broers. Dat kwam zo...
Jozef was de lievelingszoon van
zijn vader. Je zag die twee altijd samen. Tijdens de maaltijden zat Jozef aan vaders
rechterhand en bij familiebesprekingen luisterde vader altijd naar de raad van
Jozef.
Op een keer had vader met zijn
eigen handen een mooie jas voor Jozef gemaakt. Hij zocht de beste wol uit, liet
de strengen door een dienstmeisje in heel bijzondere kleuren verven... (Geel
met uienschillen en rood met rodekoolsap) en ging dan zelf achter het
weefgetouw zitten. Hij weefde een prachtige lap met aparte patronen.
Van die lap was Jozefs jas
gemaakt. Toen hij hem voor het eerst aanhad en trots als een pauw rondstapte,
werd hij door buren en bekenden bewonderd. Wat een kunststuk!
De broers zeiden echter jaloers
tegen elkaar: 'Die broer van ons wordt straal verwend.'
Nou ware die broers niet zulke
besten. Ze deden soms stiekeme dingen. De mensen in het dorp klaagden er steen
en been over.
Toen Jozef het merkte vertelde hij alles aan vader. Die gaf de broers een standje.
'Wij moeten leven naar Gods
wetten. Liegen en stelen is verkeerd. Hoe kunnen anderen God leren kennen als
jullie zo doen?' zei hij.
De broers liepen zwijgend weg.
Maar onder elkaar klaagden ze: ''t Komt allemaal door die verwende Jozef.
Vaderskindje. Puh! Een klikspaan, dat is 'ie.'
Och Jozef was
zo trots op zijn vader. Hij wilde later net zo worden als hij. Hij wilde net zo'n sterk geloof hebben. Als vader de verhalen vertelde van
overgrootvader Abraham, van grootvader Isaak en van
wat hij zelf vroeger allemaal had meegemaakt, dan voelde Jozef van binnen zo'n warm gevoel opkomen. O, die God wilde hij ook gaan
dienen. Hij droomde er wel van. Maar wat Jozef droomde bracht hem zelf in
verwarring. Hij droomde dat hij de leider van de familie zou worden. Het was zo
fantastisch dat hij z'n mond niet kon houden.
''k Heb toch zo vreemd gedroomd,'
zei hij op een dag toen ze allemaal aan de maaltijd zaten. 'Ik droomde dat we
schoven aan het binden waren in het veld. Jullie schoven bogen voor mijn
schoof. Gek, hè?'
Eén van zijn broers verslikte zich
bijna in z'n wijn en een ander riep nijdig: 'Hum, hum!
Wou jij soms koning over ons worden, ventje?'
'Stilte!' riep vader en iedereen
at zwijgend verder. Niet lang daarna droomde Jozef weer. Ongeveer dezelfde
droom. Nu ging het over de zon en de maan en elf sterren die voor hem bogen.
Dat ging zelfs vader Jakob te ver.
'Kom, Jozef. Wat is dat nou voor
een mal verhaal. Je denkt toch niet dat je moeder en ik voor je buigen, hè?'
Jozef haalde zijn schouders op. Tsja, hij snapte het zelf ook niet. Zouden die dromen van
God komen? Het was toch merkwaardig dat hij tweemaal ongeveer dezelfde droom
droomde.
En nou loopt hij hier. Weg dromen,
weg rijkdom. Hij is een slaaf op weg naar een onbekende toekomst. Zijn broers
verkochten hem uit haat. Ze haatten hem om zijn jas en om zijn dromen.
'Nou zullen we eens zien wat er
van die Meester Dromer terecht komt.' grijnsden ze boosaardig.
O, als vader het wist.
Jozefs voeten steken en z'n rug doet pijn. De zon heeft zijn bruine armen
roodverbrand. Wat zouden ze met zijn jas gedaan hebben? Verbrand? Verstopt
soms? Het is maar te hopen dat de Midjanieten hem
straks een andere jas of een deken zullen geven, anders wordt het flink
koulijden vannacht.
'O, God van mijn vader, help mij
toch. Geef dat ik straks in de nacht kan ontvluchten. Alstublieft.'
Maar zijn gebed wordt niet
verhoord. Jozef gaat verder en verder van huis, want God heeft een plan met
zijn leven.