KE04 Een Kerstavond om nooit te
vergeten
Door Josine de Jong
Tring, tring!!
In een oud boerderijtje midden in de bossen gaat de
telefoon.
Vier kinderen die in de kamer zitten kijken elkaar
verschrikt aan. Telefoon??
Fons van elf, die in een rolstoel zit, neemt het eerst
het woord.
'Telefoon, Martin.' zegt hij tegen zijn broertje van
negen. 'Wie weet is het voor ons.'
'Dat kan toch niet,' zegt Martin, 'Wie weet nou dat wij
hier zijn? We zijn vanmiddag pas gekomen.'
'Nou, mam en pap misschien. Vooruit, neem nou op!'
De twee andere kinderen, Bruce van zeven en Melinda van vijf, worden ook zenuwachtig.
'Vooruit Martin...'
Martin rent nu snel naar de telefoon. Is hij nog niet te
laat?
'Met Martin...' aarzelt hij.
Ja, het is inderdaad moeder.
'Martin,' zegt ze opgewonden, 'Wij hebben pech met de
auto. Het kan wel even duren... Pas goed op Melinda,
hè? En niet met vuur spelen!'
'Mam,... hebt u alle boodschappen wel gekocht?'
'Tuurlijk, joh! We hebben
alles voor een fijn Kerstfeest. Een boom, ballen, slingers, speelgoed en lekker
eten. Wat wil je nog meer. Ik hang gauw op want m'n
kwartjes zijn op. Dag!...'
Martin kijkt naar de dode hoorn. 'Dag!' zegt hij nog
zachtjes.
Ja, het gezin van Meekeren is op de dag voor Kerst
aangekomen in het boerderijtje in het bos om er de kerstvakantie door te
brengen. Het lijkt ontzettend leuk te worden. Het oergezellige huisje heeft
bijvoorbeeld een open haard, waar je met z'n allen om kan gaan zitten. En het
ligt in een schitterend natuurgebied. Als de weersvoorspelling uitkomt en het
gaat sneeuwen zal het hier wel net een sprookje worden.
Omdat de wagen helemaal afgeladen was geweest met al hun
spullen en de rolstoel van Fons, hadden moeder en vader besloten de
boodschappen in het nabijgelegen stadje te gaan kopen.
'Blijven jullie maar lekker hier,' zeiden ze. 'Er zijn
hier spelletjes en stripboeken genoeg.'
De kinderen vermaakten zich prima, totdat...
't Was maar een gewone kleine veldmuis, die door honger
gedreven zich een weg had gebaand naar de woonkamer. Plotseling, juist op een
moment dat het rustig is, rent hij van het kookfornuis naar de donkere ruimte
onder de boekenkast. Even zitten de kinderen verbijsterd, maar dan begìnnen ze toch te gillen!
'Een beest,... een eng beest!'
Weg zijn ze, de gang op. Fons, in z'n rolstoel het
laatst. De deur wordt goed dichtgetrokken en het ganglicht moet aan.
O, wat een ellende. Angstig kijken ze rond. Zit hier
soms ook zo'n engerd? Melinda begint te huilen.
Fons, die eigenlijk een pleegzoon van de familie is en
nog maar een paar maanden bij hen in huis, voelt zijn verantwoordelijkheid als
oudste sterk drukken.
'Geen paniek!' sust hij.
In z'n hart zendt hij meteen een schietgebedje op tot
God. Ooit heeft hij een paar luttele weken op een christelijke club gezeten en
'z'n hartje aan Jezus gegeven', zoals ze dat daar noemden. Sindsdien is de
gewoonte om in moeilijkheden meteen tot God te bidden nooit meer weggegaan.
'O, God, help ons...'
Ineens schiet het hem te binnen dat hij vanmiddag toen
ze kwamen, bij het begin van de bosweg een woning had gezien.
'Weet je wat, Martin...' Hij struikelt bijna over z'n
eigen woorden, 'Ga jij naar dat huis aan het begin van deze weg. Misschien dat
die mensen daar ons willen helpen.'
Na enige aarzeling stemt Martin toe, op voorwaarde dat
Bruce en Melinda ook meegaan.
In hun warme winterjacks, hun sjaals dicht om hun hals
geknoopt, vertrekken ze... in de verkeerde richting.
Wachten in een spaarzaam verlichte en koude gang met het
idee van een muis in de kamer ernaast is niet bepaald prettig. Dat wachten
duurt lang. Fons kan ook niet naar boven naar de slaapkamers. Hij zit maar te
denken... en te rillen.
Is dit nou het begin van zijn fijne Kerstavond? Hij had
zich er nog wel zo op verheugd. Eindelijk in een gezin Kerstfeest vieren.
Tot nu toe was Fons z'n leven niet erg gemakkelijk
geweest. Geboren met een handicap aan zijn benen, een moeder die ernstig ziek
werd en stierf, een vader die hem in de steek had gelaten en dan van het ene
kindertehuis naar het andere zwerven... De
enige groep waarin hij zich echt thuisvoelde was bij
die christelijke club. Die lui kwamen hem zelfs ophalen. Totdat hij weer eens
moest verhuizen...
Gelukkig heeft Fons nu eindelijk een goed pleeggezin
gevonden, de familie Van Meekeren. Hopelijk voorgoed. Hoewel, je weet maar
nooit.
Zou die muis er nog zitten? Misschien was hij al lang
weer weg. Weet je wat? Als hij nou eens een sjaal omdeed en even buiten voor
het raam ging kijken?
Met veel moeite wurmt Fons zijn rolstoel over de drempel
van de buitendeur. Hij rijdt tot voor het raam van de woonkamer.
Is de muis er nog?
Pang! Met een klap valt de deur achter hem dicht. In het
slot. En Fons heeft geen sleutel...
'Zou dit het huis zijn dat Fons bedoelde?' fluistert
Martin tegen Bruce. 'We hebben al zo lang gelopen.'
'Welnee, joh! Dit is een woonwagen, geen huis!'
antwoordt z'n broer angstig. 'Misschien wonen er wel zegeuners
in...'
'Zigeuners zul je bedoelen. En daar hoef je heus niet
bang voor te zijn...' snibt Martin, zelf ook niet erg zeker van zijn zaak.
'Ahoehiiiii...' Een ijselijke
kreet klinkt uit de wagen juist als Martin zijn voet op het trapje wil zetten.
De kinderen verstijven van schrik. Wat is dat in 's
hemelsnaam???
Dan gaat de deur een heel klein kiertje open en twee
koolzwarte ogen kijken hen aan. Ogen.... van een jongen iets ouder dan zij.
'Ga weg!' roept hij hees, 'Ga weg, zeg ik je, want ik
heb een mes!'
'Woef, woef, woef!!' blaft een grote herdershond in de
woonwagen. Martin, Bruce en Melinda staan als aan de
grond genageld. Ze durven zich zelfs niet eens om te draaien om te vluchten.
Als de jongen merkt dat er geen gevaar te duchten is
doet hij de deur een beetje wijder open.
'Wat mot je?' vraagt hij, niet erg vriendelijk.
Martin stoot Melinda aan. Dat
kleine bijdehandje weet altijd iedereen voor zich in te nemen. Ze snapt meteen
wat hij bedoelt.
'Eh..., dag!' zegt ze met haar
liefste stemmetje, 'Wwwe hebben een muis in huis...
Kunnen jullie ons helpen?'
'Bibberdebibber... brrr!'
Klappertandend van de kou zit Fons voor de deur van het
vakantiehuis. Wat stom van hem zeg, om de deur dicht te laten vallen. Het kan
wel een uur duren voor er hulp komt opdagen. Het wordt met de minuut donkerder
en kleine sneeuwvlokjes dwarrelen op het tuinpad.
Zou er niet een andere deur zijn om binnen te komen?
Hij rijdt met de rolstoel naar de zijkant van het huis.
Ah, de deur van de bijkeuken, daar zitten raampjes in. Fons gluurt naar binnen.
Hij ziet in het halfdonker een hoop hout en een bureautje met een telefoon.
Mooi zo. Nu nog kijken of hij een raampje kan inslaan om de deur van binnenuit
te openen. Maar waarmee?
Wacht... zijn voetsteun. Maar eerst z'n hand met de
sjaal omwikkelen tegen de glasscherven.
Rinkeldekinkel! Wat een
lawaai. Fons voelt zich net een inbreker. Voorzichtig tast zijn hand naar het
slot. Geen sleutel!!
Wat nou? Z'n voeten zijn net blokjes ijs.
'O Jezus,' bidt hij dringend...
'Wacht eens,' schiet het door hem heen. Er zit
natuurlijk een grendel op de deur. Lager of hoger dan het sleutelgat. Fons zet
de rolstoel op de rem, drukt zich met zijn armen wat omhoog... Zijn ijskoude
rechterhand tast langs de deurpost. Ja, daar is de grendel. Voorzichtig trekken
nu, zonder je te bezeren aan het glas... Ja! De deur kan open.
Opgelucht manoevreert Fons
zijn rolstoel om over de drempel te komen. Een beetje te overmoedig? De deur
die hij met een zwaai openduwde komt met kracht terugvallen.
Bommeldebom!
De rolstoel kantelt en Fons valt precies in het glas.
'Ik kan jullie ook niet helpen,' zegt de zigeunerjongen,
vriendelijker geworden door het lieve stemmetje van Melinda.
'Ik zit zelf ook alleen thuis.'
'Waarom gilde je dan zo?' vraagt Bruce nieuwsgierig.
'Dat doe ik om inbrekers weg te jagen.' antwoordt de
zigeunerjongen. 'Maar wacht eens,... misschien heb ik toch wel iets voor
jullie.'
De kinderen horen hem wat rommelen en even later toont
hij hen een... muizenval en een grote houten hamer.
'Hier moet je kaas indoen.' wijst hij. 'En als tie dan vastzit sla je hem hiermee dood! Oké?'
Martin pakt de enge muizenval voorzichtig vast en Bruce
neemt de hamer. Ze bedanken de jongen, die hen toch maar goed geholpen heeft en
gaan weer terug naar de boerderij. Het is donker geworden en het sneeuwt flink.
Met zijn hoofd op de armen, half onder zijn eigen
rolstoel, ligt Fons te huilen. Het lijkt kinderachtig, maar hij is echt ten
einde raad. Door en door koud is hij. Als hij zich maar even beweegt voelt hij
aan alle kanten glas prikken. Een barstende hoofdpijn komt opzetten. Heeft hij
z'n hoofd soms ongemerkt ergens tegen gestoten?
'O, Heer Jezus,' snikt hij, 'Help me alstublieft.'
Fons probeert zich voor te stellen wie Jezus nou
eigenlijk is. In een van de kindertehuizen hadden ze met Kerst een stalletje
onder de boom. In een kribbetje lag een onduidelijk stenen baby'tje met een
gouden kransje om z'n hoofd.
'Ons Lieve Heertje,' noemde een leidster het.
Fons z'n benen beginnen van de kou en de pijn te
verkrampen. Hoe lang kan hij dit nog volhouden.
'O, Heer Jezus,' roept hij weer. 'Kùnt
U mij wel helpen?'
'Weet je... dat de Vader je kent?'
Waar komen die woorden van dat Christelijke liedje nou
ineens vandaan? Het was zijn lievelingsliedje van de club. Hij was het al weer
bijna vergeten.
'O, Jezus. een echte vader zou me nu optillen en me weer
in de rolstoel zetten...'
Nu hij het uitgesproken heeft komt al zijn opgekropte
verdriet van jaren los. Hij heeft zo hard een vader nodig. Twee sterke armen om
zich heen...
'Wat is het vreemd stil in huis!' denken vader en moeder
Van Meekeren als ze veel later dan ze hadden gehoopt op die Kerstavond
thuiskomen. Het licht brandt wel, maar de kinderen zijn verdwenen. En buiten is
het pikkedonker.
'Fons, Martin!!... ' roept vader.
Plotseling horen ze gekreun in de bijkeuken.
Verdrietig gehuil. Snikken!
Moeder zoekt zenuwachtig naar de sleutel, want de deur
zit op slot. Er zal toch niks gebeurd zijn met de kinderen?
Vader vliegt buitenom om te zien of hij er zo in kan
komen.
'Moeder, kom gauw. Er is iets gebeurd!' roept hij.
Het licht flitst aan in de bijkeuken. Wat een ravage!
Fons op de grond, glas en bloed en nergens een spoor van de andere kinderen.
'Fons, m'n kind!' zegt vader,
terwijl hij hem met zijn sterke armen optilt. Nee, hij laat hem niet liggen om
eerst naar zijn eigen kinderen te gaan zoeken. Hij houdt ook van Fons.
Natuurlijk, net zoveel...
Troostend drukt hij hem tegen zich aan.
'Vader!' snikt Fons, 'Ik was zo alleen...'
Hij verbergt zijn gezicht in zijn pleegvaders jas.
Eindelijk hulp.
Terwijl vader de steenkoude jongen naar binnen draagt
zien ze in de verte drie sneeuwmannetjes aankomen. Een sneeuwmannetje draagt
een grote houten hamer, een draagt een muizenval en de laatste, eigenlijk een
sneeuwvrouwtje, loopt mank omdat haar laarsjes verkeerd om aan zitten.
O, en dan wordt het toch nog een gezellige kerstavond in
dat boerderijtje in het bos. De muis is in geen velden of wegen meer te
bekennen. De open haard brandt, de kerstboom staat te stralen en voor iedereen
is er lekkers en een cadeau. De kinderen vertellen hun verhaal over de
zigeunerjongen en de hond. De muizenval en de hamer worden getoond. Moeder en
vader vinden het een slim idee.
Fons, weer in zijn rolstoel met een pleister hier en
daar, glimlacht ontspannen. Hij is weer bijgekomen van de kou. Hopelijk wordt
hij niet ziek. Maar het fijnste is, dat hij vanavond heeft ervaren, dat hij
twee vaders heeft, een pleegvader en een Hemelse Vader. Fons heeft ze beiden
nodig.