DE ONTMOETING
't Was eigenlijk
eerst langs Saulus heengegaan, al dat gedoe met die
volgelingen van Jezus. Dat kwam natuurlijk door die moeilijke proefwerken. Sjonge,
zeg. Er kwam heel wat voor kijken om godsdienstleraar te worden. Tientallen
boekrollen moest je daarbij doorworstelen. En vooral vragen stellen. Kleine
magere Saulus met wat felle ogen in een smal gezicht
glimlacht bij zichzelf. Ja, vragen stellen kon hij goed. Wat keek Gamaliël, zijn leraar, vaak verrast op als hij weer eens
een intelligente vraag op de proppen kwam. Maar nu hij weer wat meer vrije tijd
heeft en door Jeruzalem zwerft, wordt hij plotseling overal geconfronteerd met
die volgelingen van Jezus, die mensen van de weg, zoals ze ook wel genoemd
worden. Het maakt hem nieuwsgierig en kwaad tegelijk. Op hoeken van straten
staan ze met elkaar te praten. Ze delen voedsel uit aan bedelaars en komen een
paar keer per dag samen om te bidden. De stad gonst van de nieuwtjes. Op de
markt vertelt men van wonderen die gebeuren. Saul
irriteert zich eraan. De leiders van het volk hadden echt gehoopt dat het uit
zou zijn met die verkeerde leer na de dood van Jezus. Hij besluit maar weer
terug te gaan naar de bijgebouwen van de tempel. Dan kan hij tenminste
nog een tijdje rustig studeren. Maar dat is verkeerd gedacht. Er is iets aan de
hand.
Oog in oog te staan met zo'n
fanatieke volgeling van Jezus, dat is weer wat anders dan op een afstandje de
zaak bekijken. Ze hebben Stefanus gegrepen, één van
de leiders van de Jezus groep. Geleund tegen de muur van de zaal van het
Sanhedrin staat Saul te luisteren naar het verhoor.
De man, wat armoedig gekleed, met moddervlekken op zijn jas, wordt van alle
kanten beschuldigd door een paar Joden uit Alexandrië. Met hun lange
prikvingers wijzen ze naar Stefanus.
'Die dáár, vertelt mensen dat Jezus zal terugkeren en de
tempel afbreken. Ook zal hij de wet van Mozes veranderen.'
Stefanus verdedigt
zich uitstekend. Saul wordt werkelijk geboeid door
zijn betoog. Hij begint bij Abraham en gaat dan door de Bijbel heen om aan te
tonen dat God niet in een gebouw woont, maar in de harten van de mensen. Je
kunt er geen speld tussen krijgen... Plotseling wordt hij fel, erg fel. Hij beschuldigt
hen nota bene van moord op de profeten.
'Stijfkoppen die jullie zijn! Alle profeten hebben
voorspeld dat de Messias zou komen en toen hij er was... hebben jullie hem
gedood. Jullie houden zelf de wet niet.'
Als je iemand hebt zien doodgooien met stenen, vergeet
je dat je leven niet meer. Je weet nog precies hoe hij stierf en wat zijn
laatste woorden waren. Saulus maakt dat mee. Het is
gruwelijk.
'Ik zie Jezus aan Gods rechterzijde staan!' roept Stefanus met een gezicht als van een engel voordat een
gemene steen hem raakt.
Saul, die niet mee
kan gooien, omdat hij op de jassen moet passen, voelt een rood waas voor zijn
ogen komen. Dit is godslastering. Vreselijk. Weg met die man.'
Er wordt na de terechtstelling van Stefanus
langdurig vergaderd in het Sanhedrin en men besluit om radicaal een eind te
maken aan die verkeerde leer. Elke volgeling van Jezus zal worden gedood of
voorgoed achter de tralies gestopt. En wie krijgt de leiding van die actie? Saul! Wat een uitdaging. Vol ijver gaat hij aan de slag.
Zelfs in de nacht sleurt hij nog eigenhandig mensen van hun bed. Er klinkt
gehuil en geschreeuw in de kleine huizen van de achterbuurten. Ja, Saul vernietigt de Jezusgroep. En
dan is hij nog niet tevreden. Zelfs de gevluchten
gaat hij nog achterna naar Damaskus met schriftelijke
toestemming van de Hogepriester.
Klippeklappe, klippeklappe! Zo doen de hoefjes van de ezels. Het is een
lange hete tocht naar Damaskus. Voor Paulus uit
rijden wat soldaten. En om hen heen ook. Saul is blij
dat ze binnen een uur in Damaskus zullen zijn. Hoe
zal hij straks de zaak het beste kunnen aanpakken? Zouden die Jezusmensen al op de hoogte zijn van zijn komst? Hij
probeert zich hun gezichten voor te stellen. Geschrokken gezichten,
kindergezichten ook... Het beeld van Stefanus komt
hem weer voor ogen en van... JEZUS!!
O, wat gebeurt er? Plotseling een licht, een verblindend
licht.
Saul slaat zijn
handen voor zijn ogen, de ezel glijdt onder hem weg. Bons! Daar ligtie. Zijn hart gaat als een gek te keer.
'Saul,' hoort hij iemand
roepen, 'Saul, waarom vervolg je MIJ?'
Mij? Mij?... Wie is Mij? Saul is in de war. 'Wie bent u, Heer?...'
'IK BEN JEZUS, DIE JIJ VERVOLGT. Maar sta op en ga de
stad binnen. Daar zal je gezegd worden wat je doen moet.'
klinkt het helder en
klaar. Hè? Is dit Jezus? Dat kan toch niet? Die is toch dood???
Saul kan het niet verwerken. Lang nadat het licht is
gedoofd staat hij op, maar zijn ogen zijn verblind.
Blind zijn is heel erg. Maar te weten dat je schuldig
bent aan de dood van honderden mensen, dat is ondraaglijk. Een shock!
Totaal kapot zit Paulus een paar uur later in zijn hotel
in de Rechte Straat te Damaskus. Hij wil niet eten of
drinken.
'O God, ik ben een crimineel, ik die de wet zo precies
hield! Hoe kan ik ooit voor uw troon verschijnen.'
Drie dagen en drie nachten gaan voorbij. Maar dag of
nacht, het maakt niets uit. Saul zit voor zich uit te
staren zonder eten of drinken. Hij ziet er geen gat meer in...
Er wordt op de deur geklopt. Een man stapt binnen. Het
is Ananias, één van de Jezusmensen
uit Damaskus. Ook dat nog! Saul
zou wel door de grond willen zakken van schaamte. Maar Ananias
zegt vriendelijk: 'Saul, broeder, Jezus stuurt mij
naar je toe. Hij wil jou gebruiken in zijn dienst.' Even is het doodstil. De
woorden blijven tussen hen hangen. Dan barst Saul
los: 'O God, is er dan nog vergeving voor mij?' Ja hoor! Twee handen worden op
zijn hoofd gelegd. Troostende, vergevende handen. Een grote liefde stroomt door
hem heen. Als Saul zijn ogen opent kan hij weer zien.
Door zijn tranen heen. Wat een machtig ogenblik.
En hoe nu verder? Saul, de
afgestudeerde veelbelovende schriftgeleerde moet weer opnieuw beginnen te
leren. Dit keer van Jezus.