ZE 04 Sundar Singh’s grootste schat
Door Josine de Jong
Sundar
Singh, de jongste zoon van een grootgrondbezitter in India sloot zich in 1904
als vijftienjarige jongen uit wanhoop in zijn kamer op om vrede te vinden voor
zijn hart.
Als hij die
na drie dagen nog niet gevonden had, wilde hij zich voor de trein werpen die
een keer per dag langs hun huis kwam.
Maar Sundar kreeg een ontmoeting met Jezus die tegen hem zei: ‘Sundar, hoe lang wil je mij vervolgen? Ik ben gekomen om je
te redden. Je bad om licht en vrede. Ik geef ze je voor altijd.’
Nooit had
een stem zo tot hem gesproken. Een grote blijdschap stroomde Sundar’s hart binnen. Jezus was bij hem voor eeuwig.
Sundar’s
vader en de hele familie waren echt niet blij met wat hij hen vertelde. Ze
zochten naar een manier om hem tot andere gedachten te brengen.
Een rijke
oom kreeg een goed idee. Het leek wel wat op omkoperij.
Hij nam de
jongen mee naar een gebouwtje vol schatten. Er lag werkelijk voor miljoenen
opgeslagen aan diamanten en kunstvoorwerpen.
‘Die mag
jij hebben, als je dat christelijke geloof afzweert, Sundar,
beste neef,’ zei de oom glimlachend. ‘Kijk eens, dit hier is uit…’
Sundar
keurde de schat echter geen blik waardig.
‘Ik denk er
in de verste verte niet over, oom!’ zei hij met een afwerend handgebaar, ‘Voor
alle schatten van de wereld wil ik Jezus niet kwijt!’ Hij draaide zich om en
verliet het gebouw.
Wat was de
oom boos.
Toen hij
het in de familie vertelde besloot men unaniem om Sundar
te verstoten. Zelfs hebben zijn eigen broers hem proberen te vergiftigen.
Dat Sundar het overleefde was te danken aan de liefdevolle zorg
van christenen. Op 3 september 1905 werd Sundar,
zestien jaar oud door hen gedoopt.
Maar Sundar wilde de grote schat die hij had gevonden niet voor
zichzelf houden. Overal moest die blijde boodschap verteld worden. Als een sadhu, een pelgrim in een saffraangeel kleed, trok hij
zingend en predikend door India. Ook in zijn geboortestad Rampur
predikte hij op de hoeken van de straten. En raad eens wat? In 1919 komt zelfs
zijn vader tot geloof en Sundar mag hem dopen! Wie
had dat ooit gedacht.
Eens toen hij een
hoge berg beklom, woedde er een vreselijke sneeuwstorm, waardoor hij bijna
bezweek. De felle wind benam hem bijna alle adem. Plotseling ontdekte hij aan
de kant van de weg een donkere hoop. Het bleek een uitgeputte reiziger te zijn,
die ondergesneeuwd was.
'Wat erg!' dacht Sundar: 'Ik kan hem niet
helpen. Ik kom zelf nauwelijks vooruit.'
Nog wat reizigers
passeerden. Niemand kon de arme man helpen. Hij zou sterven van de kou. Na een
paar minuten overtuigde de Heilige Geest hem ervan, dat hij terug moest gaan.
Met zijn handen groef hij de sneeuw boven de man weg en nam de halfdode stakker
op zijn rug. Met bijna bovenmenselijke inspanning zwoegde Sundar
verder naar boven. Na een tijdje zag hij weer een bobbel aan de kant van de weg
liggen en even later weer een. Het waren de twee reizigers die hem waren
gepasseerd. Van kou waren ze gestorven. Sundar
bedacht hoe vreemd het was. De twee die niet hielpen waren dood en hij liep nog
steeds.
Toen drong het
tot hem door, dat hij juist door zijn zware inspanning was blijven leven. De
man die hem droeg had hem warm gehouden.
Ja zo
zijn er echt ongelofelijke verhalen te vertellen van Sadhu
Sundar Sing. En niet alleen
in India werd hij bekend, nee, ook in Engeland en Amerika werd hij uitgenodigd
om te spreken. De kerken waren afgeladen vol als hij er was.
Jammer
genoeg is hij tamelijk jong omgekomen tijdens een tocht over de Himalaya. Maar
één ding is zeker: Sundar liet ons een grote schat
na.