OP ZOEK NAAR DE SCHAT
In Ethiopië woonde, ongeveer 35 jaar na Christus, een
rijke man, een Opperschatbewaarder van de Kandake, de
koningin. Op een dag vond hij een schat, die alle andere schatten overtrof.
'Klim op mijn rug, snel!' fluistert een negerjongen. Een
vriendje klimt lenig op zijn schouders. Zo kan hij naar binnenkijken in de
kamer van de Opperschatbewaarder.
'En... Wat zie je? Vertel vlug... want ik kan je niet
langer houden. Wat voor schat heeft hij daar?'
'Even wachten. Ik zie geen schat. Kijk zelf maar...'
Ze wisselen om. Nu staat de grote door het raam te
loeren.
'Er is geen schat. De minister zit gewoon te lezen uit
een boekrol. En Sarid, de paardenjongen zit naast
hem...'
Dan springt ook hij naar beneden.
'Toch moet er een schat zijn, joh! Ik hoorde hem zelf
zeggen: 'Sarid, kom vanavond bij me met je schat.''
'Och, joh! Je zal het wel
verkeerd verstaan hebben. Jij hebt zo'n fantasie. Een
schat, puh!...' De twee jongens hollen het pad af.
'Wat een schat is deze boekrol, Sarid.'
zegt de Minister.
'Hij is voor mij meer waard dan goud!'
Sarid lacht. De
minister zegt het zo leuk.
'Ja, heus, doordat ik Hebreeuws heb geleerd en in jouw
boek ben gaan lezen, heb ik God leren kennen.'
Hij rolt de boekrol weer dicht en zegt geheimzinnig: 'Ik
heb een verrassing voor je... Ik ben van plan naar de Tempel te Jeruzalem te
gaan. En jij mag mee. Hoe vind je dat?'
Sarid straalt van
blijdschap. Mag hij mee naar Jeruzalem?'
'Heel graag, meneer.' stamelt
hij.
'Afgesproken!' besluit de Opperschatbewaarder. 'Bij
volle maan vertrekken we. Maar nu snel naar huis, want het is al laat.'
Maanden later rijdt er een prachtige optocht door de
poort van Jeruzalem. 'Moet je kijken,' roepen de straatjongens. 'Wat een mooie
paarden en die dure kar. Die man is vast steenrijk.'
'Dat istie zeker!' pocht de zoon van de herbergier, ''t Is de
Opperschatbewaarder van Ethiopië en hij logeert bij ons!'
De kleurige stoet draait rechtsaf en slaat de weg in
naar de herberg van Sam Ben Eli.
'Eindelijk!' zucht de Opperschatbewaarder. 'Eindelijk in
Jeruzalem. Morgen ga ik naar de tempel.'
Wat een schitterende Tempel. De gebouwen, de pilaren, de
poorten alles is even mooi. De Schatbewaarder kijkt zijn ogen uit. Hij ziet de
priesters lopen en de mensen die gaan offeren in hun beste kleren. Wat jammer
dat hijzelf niet naar binnen mag. Hij moet op het plein van de vreemdelingen
blijven. Kijk, daar bij de trappen staat het op een bord geschreven. Zou God
niet van vreemdelingen houden? Met die gedachte loopt de Schatbewaarder langs
de Zuilengang van Salomo. Daar zit een oude grijze rabbi les te geven aan een
paar jongens. Hij gaat er even bij staan luisteren. Met zangerige stem leest de
rabbi: 'Laat de vreemdeling niet zeggen: 'Ik hoor niet bij Gods volk, want Ik,
de Here, zal hem blij maken.''
Wat is dat nou? Toevallig gaat het over vreemdelingen,
dus over hem. Zou God hem zo goed kennen, dat Hij...
'Pardon, uit welke boekrol leest u voor, rabbi?' vraagt hij
beleefd. 'Is die ook te koop?' Nee, deze niet, maar de wetgeleerde weet wel
voor goed geld een andere op de kop te tikken. Je kunt je voorstellen hoe blij
de Schatbewaarder is met zijn boekrol, de rol van Jesaja.
Die avond zit hij bij het licht van een fakkel te lezen totdat hij slaap
krijgt. Voortaan leest hij er elke dag in.
'Is alles klaar voor de terugreis?' vraagt de minister.
'Zijn de tenten gerepareerd en de paarden goed gevoed?'
Knechten lopen af en aan, moeten nog vlug iets op de
markt kopen, maar tenslotte kunnen ze toch vertrekken.
Een joelende kinderschare holt hen na tot de poort. De reis terug naar Ethiopië
is begonnen. De minister pakt zijn boekrol en gaat zitten
lezen. Hardop. Het is een prachtig gedeelte, maar wel erg moeilijk. Het
gaat over een man die als een lam geslacht werd. Hij deed zijn mond niet open.
Wie zou die man zijn? Zou het soms over de profeet zelf gaan?
'Meneer, edele Heer!' hoort hij
ineens. Er komt een man aanhollen. De Opperschatbewaarder laat de wagen
stilhouden. Wat zou die man willen?
'Edele Heer,' hijgt hij, 'Neem
me niet kwalijk. Ik hoorde u lezen toen u net langsreed. Maar... begrijpt u wel
wat u leest?'
'Nee, eigenlijk niet. Hoe weet u dat? Kom toch in de
wagen als u mij kunt helpen.' 't Is Filippus, een vriend van Jezus, die door een engel hierheen
was gestuurd. Met een ruk zet de wagen zich weer in beweging. Ja, Filippus weet over wie Jesaja
schrijft.
'Het is Jezus, die voor onze zonden aan het kruis
stierf. Ieder die in Hem gelooft, heeft eeuwig leven.'
De grote, bruine ogen van de Minister kijken Filippus ernstig aan. 'Houdt Jezus ook van vreemdelingen?
Want mijn ouders waren geen Joden.'
'Jazeker, edele Heer,' antwoordt Filippus
ontroerd, 'ook u mag bij Jezus' familie behoren. Geloof in de Heer Jezus en
laat u dopen.'
De schatbewaarder kijkt naar buiten. Ze rijden net langs
een meertje, omzoomd met riet.
'Daar is water.' roept hij blij uit. 'Wat is ertegen dat
ik gedoopt wordt?'
Niets natuurlijk en dus wordt de Opperschatbewaarder in
het meertje gedoopt. Als hij zijn ogen weer opendoet na het dankgebed is Filippus alweer verdwenen. De Heer heeft nog meer voor hem
te doen. Maar de Opperschatbewaarder vervolgt zijn reis met blijdschap. 's
Avonds in de tent zit hij samen met Sarid uit de
boekrol te lezen. Hij vertelt hem wat hij weet van Jezus en ook Sarid gaat geloven.
'Deze boekrol, Sarid, kan nog
heel veel mensen gelukkig maken.' zegt hij. 'We moeten hem overschrijven en aan
anderen geven. Dan kunnen zij ook zien wat een grote schat erin te vinden is.'
Zo komt het dat ook in Ethiopië het verhaal van de Heer
Jezus wordt doorverteld.